Sla om voor hun verhalen.
PERSOONLIJK
‘Ze is mijn soulmate, maar ik ben niet verliefd op haar’
‘Iemand kan functioneren en lachen, terwijl het vanbinnen donker is’
Sacha Verheij (29) heeft een relatie en werkt bij kinderrechtenorganisatie Save the Children.
‘Mijn leven is goed nu. Toch draag ik iets mee wat altijd op de achtergrond aanwezig is, omdat ik al jong leerde hoe dichtbij het donker kan komen. Mijn vader overleed toen ik vijftien was. Hij had zichzelf laten opnemen omdat hij depressief was. Wat het extra verwarrend maakte: ik kende hem als iemand die van het leven hield. En toen was hij er ineens niet meer. Ik heb een tweelingzus en een broer van twee jaar ouder. We gingen er allemaal anders mee om en spraken er nauwelijks over. Er was destijds geen plek waar je met vragen over mentale gezondheid en suïcide naartoe kon. In de voorjaarsvakantie was de begrafenis, daarna gingen we weer naar school, zo goed en zo kwaad als het ging. Twee jaar later werd ik alsnog ingehaald door zware gedachten. Ik had altijd gezegd dat ik zoiets nooit zou doen zoals mijn vader, juist omdat ik wist wat het met de mensen om je heen doet. En toch waren die gedachten er. Ik denk dat ik er gevoelig voor was, misschien was het wel genetisch. Daarbovenop kwam prestatiedruk: goede cijfers, dun zijn, in alles legde ik mezelf hoge eisen op.
Mijn neef Rajiv en ik schelen zeven jaar. Ik woonde in Friesland, hij in de Randstad, we zagen elkaar vooral op verjaardagen. Toch zocht hij me op een dag bewust op. Hij had van mijn tante gehoord dat ik door een donkere periode was gegaan en wilde weten hoe ik eruit was gekomen: hij worstelde zelf met donkere gedachten. Ondanks veel vrienden en een druk sociaal leven voelde hij zich eenzaam en onbegrepen. Racisme speelde ook een rol. Hij voelde zich zo ontheemd. En ook bij hem was er prestatiedruk. Mijn oom legde de lat hoog, hijzelf nog hoger. TU Delft, stage in Silicon Valley: voor de buitenwereld succesvol en zelfverzekerd, maar voor hemzelf nooit genoeg.
Vooral het idee van dertig worden drukte zwaar: baan, huis, gezin... dat had hij nog niet. We spraken af, en ik vertelde dat het voor mij begon met zachter zijn voor mezelf. Een maand later hoorde ik dat het niet goed met hem ging. Hij werd opgenomen. Ik nam me voor hem te bellen, maar was druk en schoof het voor me uit. Toen werd ik wakker gebeld: Rajiv heeft de dertig waar hij zo tegen opzag nooit gehaald.
Na zijn overlijden vond mijn tante een briefje van hem. Daarop stond dat zijn moeder zich afvroeg waarom hij altijd zo lang onder de douche stond, maar dat dat de enige plek was waar hij even kon ademen. Die zin draag ik nog altijd met me mee. Na Rajivs dood liep ik in de Italiaanse Alpen en dacht opeens: je kunt blijven vechten tegen het leven of je kunt proberen mee te bewegen. Ik liet daarom ‘Say Yes’ op mijn arm tatoeëren: een herinnering om het leven te ontvangen zoals het komt, in plaats van het weg te duwen.
Zelf slik ik inmiddels antidepressiva en hoewel dat eerst als falen voelde, weet ik nu dat het sterk is om toe te geven dat je een duwtje nodig hebt. Het heeft me enorm geholpen; de wereld werd ineens lichter. Het is echt niets om je voor te schamen, dat weet ik nu.
Wat ik heb geleerd, is dat je vaak niets ziet aan iemand. Dat iemand kan functioneren en lachen, terwijl het van binnen heel donker is. Het verschil zit ’m in zachter zijn, voor jezelf en voor elkaar. Het begint bij niet tevreden zijn met ‘het gaat wel’, bij doorvragen en echte aandacht. Want op het moment dat iemand iets deelt, hoeft diegene het niet meer alleen te dragen.’
‘HIJ SCHREEF DAT HIJ ALTIJD ZO LANG ONDER DE DOUCHE STOND, OMDAT HET DE ENIGE PLEK WAS WAAR HIJ EVEN KON ADEMEN’
‘Hij heeft de dertig waar hij zo tegen opzag nooit gehaald’

‘De vraag waarom ik niet was blijven slapen die avond, kon ik nu loslaten’
‘Zou hij bij een vriendin zijn... daar klamp je je aan vast’
Rajhen Ramoutar (28) woont samen en is eigenaar van online advertising bureau District Social. Daarnaast runt hij een stichting voor kinderen met kanker: superdex.nl.
‘Mijn vriend Brian was iemand die je niet kon missen. Hij lachte veel en had overal vrienden. Hij was groot maar ook zachtaardig, slim en opvallend wijs voor zijn leeftijd: zeventien. Op de middelbare school ontstond onze vriendengroep, rond gamen en anime. We fantaseerden erover die wereld ooit echt te zien: samen naar Japan. We noemden hem MacBrian, omdat hij dol was op McDonald’s en hamburgers op elkaar stapelde tot een mega BigMac, die hij dan in één hap opat. Flauw, maar liefdevol bedoeld.
Toch denk ik, nu ik erop terugkijk, dat hij met zijn lijf worstelde. Hij kon fanatiek trainen. Na de middelbare school wilde Brian naar de politieacademie, maar hij werd afgewezen. Pas later bedacht ik dat het hem onzeker maakte. Dat hij worstelde met de vraag wie hij moest zijn en welke kant zijn leven op moest.
Onze laatste avond samen voelde anders. Hij was zichzelf niet. Hij deed anders dan normaal, hoorde ik later ook van anderen. Niet extreem, maar net genoeg om te voelen: hij zit niet lekker in zijn vel. Normaal sliepen we na een feestje bij elkaar, maar uitgerekend die keer ging ik eerder naar huis. De volgende dag werd ik wakker met een afscheidsbericht op mijn telefoon. Veel vrienden hadden het gekregen. We dachten eerst dat het een grap was, maar toen kwam de onrust.
Brians ouders waren een weekend weg en we belden zijn broers. Zijn jas en portemonnee lagen thuis, maar hijzelf was er niet. Binnen een halfuur reden we met scooters door de stad. Politie en brandweer werden erbij gehaald. Eerst klamp je je vast aan eenvoudige verklaringen: dat hij ergens slaapt, dat hij bij een vriendinnetje is. Maar elk uur werden we stiller en werd ons gevoel zwaarder. Een van onze vrienden reed nog een rondje op de scooter en zag iets in de sloot. We herkenden hem aan de rand van zijn ondergoed, waar we met de vriendengroep ‘MacBrian’ op hadden laten drukken. Op je zeventiende word je dan in één klap volwassen. Brians ouders proberen onze vriendengroep bij elkaar te houden. Hun deur staat altijd open voor ons en twee keer per jaar gaan we met z’n allen langs. Altijd hebben we het dan over Brian. Soms een uur, soms vijf minuten. In zijn afscheidsbrief stond één zin die is blijven hangen: ga je droom achterna. Vijf jaar na zijn dood dacht ik: ik ga gewoon. Op papier had ik alles op orde: hbo afgerond, een fijn appartement, een goede baan. Maar vanbinnen was ik doodongelukkig.
‘IN BRIANS AFSCHEIDSBRIEF STOND: GA JE DROOM ACHTERNA. EN DAT DEED IK’






Ik droeg nog steeds die symbolische verhuisdoos met zware herinneringen, zo’n doos die blijft terugkomen tot je hem op een dag opent. Ik zegde mijn baan en mijn appartement op en vertrok voor een maand naar Japan. Op een strand dacht ik ineens: nu. Nu ga ik die doos onder ogen zien. Het was bitterzoet, pijnlijk en helend tegelijk. Ik ging in mijn eentje, maar ik was niet alleen. Ik sprak in gedachten veel met Brian, het voelde alsof hij naast me liep. Ik had mezelf jarenlang gekweld met de vraag waarom ik niet was blijven slapen die avond, maar nu kon ik het eindelijk loslaten. Brian had denk ik niet gewild dat ik mezelf bleef kwellen.
In plaats daarvan maak ik mijn dromen waar, zo eer ik hem denk ik het meest.’
‘De politie zei dat ik niets had kunnen doen, dat gaf me zó veel rust’
Cindy (44) is getrouwd, docent op een mbo en heeft een communicatiebureau. Ze heeft drie dochters, van 15, 14 en 12 jaar.
‘Als je aan mijn broer Leroy vroeg hoe het met hem ging, ging het goed. Altijd. Hij was vrolijk en gul, gaf aandacht en cadeautjes en was gek op sport. Daarom zag ik niet wat er nog meer speelde. Hij liet bij familie weinig los en in geheimen kun je zó verstrikt raken, dat je nog maar één uitweg ziet.
Leroy en ik groeiden op in Rotterdam-Zuid, met dezelfde moeder maar een andere vader, die om de hoek woonde. We waren vier handen op één buik. In de buurt loste hij gedonder tussen kinderen altijd op, dat was zijn motor, die daadkracht, en achteraf bezien misschien ook zijn kwetsbaarheid: altijd aan, altijd regelen, altijd sterk. Na school ging hij aan de slag bij het glasbedrijf van onze oom, spaarde vol overgave voor een appartement en was trots op wat hij maakte. Op een bepaald moment ging hij met een vriend naar Marokko en kwam in contact met diens broer, die in het criminele circuit zat. We weten niet wat er is voorgevallen, maar het ging mis, vermoedelijk met drugsdealen: zulke gasten spannen jonge jongens voor hun karretje en duwen ze steeds verder, tot ze muurvast zitten en geen kant meer op kunnen. Dat gold ook voor Leroy. Hij werd bang, niet alleen voor zichzelf maar ook voor onze moeder, en zag geen uitweg meer.
De laatste avond van zijn leven staat in mijn geheugen gegrift. Ik was verdrietig omdat mijn relatie voorbij was en Leroy troostte me. Hij was lief en grappig, typisch mijn broer. Daarna gingen we slapen. De volgende ochtend schrok ik op van het gegil van mijn moeder. Leroy had zichzelf opgehangen. Ik bevroor. Dat heb ik mezelf lang kwalijk genomen. Juist omdat ik mijn reanimatiediploma had, dacht ik steeds: ik had hem los moeten maken, had moeten reanimeren, had iets moeten doen. Die gedachte bleef jaren hangen.
Pas elf jaar na zijn overlijden durfde ik het politiedossier op te vragen. Op het moment dat ze me uitlegden wat ze hadden gezien, viel er iets van me af. De politie zei duidelijk: je had niets kunnen doen, het was meteen voorbij. En hij zag er vredig uit. Dat detail en gesprek gaven me een rust die ik niet eerder had gevoeld. Omdat de twijfel verdween. Ik heb daarna therapie gehad, omdat ik vaak snel in paniek raakte, alsof mijn lichaam in de oude alarmstand stond. Nu begrijp ik dat ‘bevriezen’ geen falen was, maar een menselijke reactie op een onmenselijk moment. En soms begint heling pas als iemand van buitenaf bevestigt wat je zelf niet gelooft: dat je niets verkeerd hebt gedaan.
Sinds Leroy er niet meer is, ga ik zelden nog af op wat ik zie. Als iemand altijd vrolijk is, vertrouw ik dat niet.
‘IN GEHEIMEN KUN JE ZÓ VERSTRIKT RAKEN, DAT JE NOG MAAR ÉÉN UITWEG ZIET’
Is iemand agressief, dan zit er een reden achter. Bijna de helft van alle jongeren worstelt met mentale gezond- heidsproblemen en velen staan op een wachtlijst voor hulp. Daarop kunnen we niet wachten: dus maak tijd voor elkaar, laat je agenda los, voel geen opluchting bij ‘het gaat wel’ en durf door te vragen. Creëer een sfeer waarin iemand zich veilig voelt en vertelt hoe het gaat.
Wanneer iemand iets deelt, draagt diegene het niet langer alleen. Door het uit te spreken, raak je er al een stukje van kwijt. Soms is dat het begin van herstel.’
Denk jij aan zelfdoding? Neem 24/7 gratis en anoniem contact op met 113 Zelfmoordpreventie via 0800-0113 of chat op 113.nl.

‘Ik ging in therapie omdat ik zo vaak in paniek raakte’




