

Tijdens de Late Middeleeuwen tussen halverwege de 12de en het eind van de 15de eeuw, ontstond in het christelijke Europa een belangrijke nieuwe stroming in de bouwkunst: de gotiek. Deze nieuwe stijl had invloed op alle kunsten, maar was vooral van belang voor de architectuur. Daar ontstonden originele en gedurfde bouwwerken waarin vernuft, wiskundige berekeningen en vormgeving grote hoogten bereikten. Er werden forten, kerken, monumentale kloosters en de prachtigste kathedralen gebouwd die nu nog steeds de skyline van veel Europese steden domineren.
De gotische architectuur ontstond niet uit het niets. Vanwege de noodzaak om steeds grotere gebouwen te bouwen, experimenteerden bouwmeesters al in de romaanse periode met nieuwe technieken, vooral de spitsboog. Hiermee werd het mogelijk om de spatkrachten, de zijwaartse druk in een constructie, te verminderen. Daarnaast werd het kruisribgewelf ontwikkeld, dat het gewicht van het dak naar bepaalde punten leidde. Door het gebruik van externe luchtbogen, die een deel van het gewicht opvingen, waren geen zware muren meer nodig en konden de ruimtes hoger worden gemaakt. Het werd bovendien mogelijk om grote vensters aan te brengen.
Deze ontwikkelingen vielen samen met sociale veranderingen. De groei van de handel en de verbreiding van jaarmarkten, leidde tot het ontstaan van een nieuwe, bij uitstek stedelijke sociale klasse: de burgerij. De welvaart zorgde voor de groei van steden en precies daar was de indrukwekkende gotische architectuur het meest aanwezig. Maar het platteland volgde snel.
Kathedralen zijn de duidelijkste weerspiegeling van de sociaal-economische ontwikkeling in deze tijd. Burgers wilden zich inzetten voor hun stad om deze uit te breiden, te verbeteren en meer aanzien te geven. De monumentaliteit van de kathedralen moest de macht en glorie van God uitstralen, maar ook die van de burgers die de economische en technische middelen leverden om ze te bouwen. Elk heiligdom moest hoger en lichter zijn dan het vorige, tegelijk sterker en sierlijker, en meerdere façaden hebben–om indruk te maken op zowel de lokale bevolking als op bezoekers. Natuurlijk werd ook het interieur niet vergeten en kwam er een prachtig en ingenieus koor.
Een stijl in ontwikkeling
In de gotische architectuur veranderden de vormen van eenvoudig naar een barokke uitbundigheid en van strakke belijningen naar overweldigend complex. Maar omdat de meeste bouwwerken in de loop van meerdere eeuwen in meerdere fasen werden gebouwd, bestaan er eigenlijk geen ‘zuiver’ gotische gebouwen.
In de ontwikkeling van de gotische stijl kun je grosso modo vijf fasen onderscheiden: aanloop, volkomenheid, uitbreiding, transformatie en verval. De eerste fase (ca. 1135-’80) wordt de vroeggotiek genoemd. Bouwwerken zoals de kathedraal van Sens en de abdij van Saint-Denis, begonnen zich duidelijk van de vorige, romaanse stijl te onderscheiden. Tijdens de middengotiek (ca. 1180-1230) werden de vormen steeds verfijnder en werd de luchtboog een onmisbaar onderdeel. In die tijd werden iconische kathedralen zoals die van Chartres, Bourges, Reims en Amiens gebouwd, die weer veel andere kathedralen hebben beïnvloed, zoals die van Salisbury en Canterbury in Engeland en die van Burgos en Toledo in Spanje. De 13de eeuw staat bekend als de ‘eeuw van de kathedralen’. Dit was de tijd dat de Sainte-Chapelle en de belangrijkste delen van de Notre-Dame in Parijs zijn gebouwd, en ook de kathedralen van Beauvais, Straatsburg en Siena. Deze bouwwerken waren beter in balans en hoger en lichter dan die van de vorige periode. Deze fase staat bekend als de hooggotiek of rayonnante gotiek (1230-1380), een stijl die het grootste deel van die eeuw en de daaropvolgende steeds populairder werd en kan worden gezien als de gotiek in volle ontwikkeling. Ook paleizen en woningen van burgers werden in deze stijl gebouwd.







Laatste uitingen
In de 14de eeuw stagneerde de bouw omdat er in een groot deel van Europa sociale conflicten, milieucrises en oorlogen ontstonden, waaronder de Honderdjarige Oorlog (1337-1453). De periode van 1380 tot 1420, waarin het pausdom twee zetels had (Rome en Avignon), was een overgangsperiode waarin de gotiek een hoog niveau van verfijning bereikte. Er werden in deze tijd weliswaar geen grote bouwwerken gesticht, maar verscheidene vorsten lieten in deze tijd paleizen en privé-kerken bouwen. Een uitzondering was Praag–een gebied ver weg van de conflicten–waar de Sint-Vituskathedraal werd gebouwd.
De laatste fase, van 1420 tot het begin van de 16de eeuw, is die van de flamboyante of laatgotiek. De gotische stijl krijgt dan duidelijk nationale en regionale varianten. De vormen worden steeds complexer en de decoratie nog drukker. Zuilen worden spiraalvormig en de kruisribgewelven raken verstrikt in het streven naar originaliteit. In deze tijd worden enkele kathedralen voltooid waarvan de bouw al lang daarvoor was begonnen, maar de burgerlijke architectuur is het uitbundigst.

FOTO’S: ALBUM, ALAMY/ACI




