“Laatst zat ik in een vliegtuig en dacht ik: als we nu neerstorten, is het game over. Klaar. Ik raakte daar eindelijk niet meer van in paniek, dat is wel anders geweest. Tot drie jaar geleden dacht ik dagelijks aan de dood. Als ik doodging, zou ik in de hel komen, zo is mij altijd voorgehouden. Ik durfde vroeger als het onweerde niet eens te slapen – kroop nog net niet onder het bed bij mijn oudste zus. ‘God spreekt,’ zeiden mijn ouders altijd als het buiten tekeerging. Vreselijk vond ik dat.
Voor mijn vroegste jeugdherinneringen moet ik diep graven. Ik zie mezelf nog als klein meisje in de kerk zitten, kijkend naar mijn voeten die de grond niet raakten. Als dat wel zou gebeuren, zou ik eindelijk uit huis mogen, hield ik mezelf voor. Dan was ik groot genoeg om mijn eigen beslissingen te nemen.
Het was niet alleen maar ellende, we hebben ook leuke momenten gedeeld. Met de hele familie kerst vieren, bijvoorbeeld. Iedereen bij elkaar, gourmetten: geweldig, daar hield ik van. Maar over het algemeen golden er heel strenge regels en kon een gezellige sfeer elk moment omslaan naar ruzie en of fysiek geweld. Het gaf me een onveilig gevoel. Waar mijn zussen precies wisten wanneer ze ergens mee moesten stoppen of wanneer ze zich moesten verbergen, was ik altijd degene die op heterdaad betrapt werd en de klappen kreeg.”
‘WAAR MIJN ZUSSEN PRECIES WISTEN WANNEER ZE ZICH MOESTEN VERBERGEN, WERD IK ALTIJD OP HETERDAAD BETRAPT’
Irritant kind
“Ik ben opgegroeid in een klein dorp in Zeeland en ik ging naar een gereformeerde basisschool. In de klas werd de Bijbel gelezen en bidden was standaard. Mijn ouders kwamen oorspronkelijk niet uit dat dorp en waren zelfs voor Zeeuwse begrippen héél strenggelovig. Mijn vier zussen en ik mochten absoluut geen broek aan, zelfs een legging onder een rokje was geen optie. Vloeken was uit den boze, we moesten zelfs anderen op een eventuele vloek wijzen. Als we niets zouden zeggen, zouden wij er namelijk verantwoordelijk voor zijn. Ik nam die taak heel serieus. Ik bad voor iemand die zich een vloek liet ontvallen en zei er altijd iets van. Dat maakt je natuurlijk een irritant kind. Ik werd op school enorm gepest. Ik weet nog goed dat ik een keer mee mocht met een klasgenootje en ik die ouders tegen elkaar hoorde zeggen: ‘Nou, ze heeft die van Poot mee- genomen hoor…’ Zelfs ouders vonden me stom. Ik was als kind eenzaam, ja. Maar ook altijd positief. Ik had een rotsvast vertrouwen ontwikkeld dat alles ooit goed zou komen.
Er was veel ruzie thuis, tussen mijn ouders en tussen mijn zussen. Ik kon me verliezen in spelen. Dan stalde ik al mijn barbies uit en schopten mijn zussen ze alle kanten op. Als ik begon te huilen, kreeg ik van mijn vader of mijn moeder een dreun. Zelfs met mijn tweelingzus heb ik nooit een goede band gehad. We zijn elkaars tegenpolen. Ik was echt ongelukkig.
‘IK VROEG GOD OF HIJ HET THUIS WAT GEZELLIGER KON MAKEN EN OF IK ALSJEBLIEFT TOCH IN DE HEMEL MOCHT KOMEN’
Op m’n twaalfde ontwikkelde ik een eetstoornis en regelmatig dacht ik eraan om uit het leven te stappen. Dat mocht alleen écht niet, want dan zou ik natuurlijk in de hel komen. Ik kan me herinneren dat ik een keer languit op de weg ben gaan liggen in de hoop dat een auto me zou overrijden. Ik was toen een jaar of zeven, hooguit. Het leek me de minst pijnlijke manier van sterven. Toch stond ik uit- eindelijk doodsbang op en ging ik maar weer naar huis.
‘Mijn zussen en ik mochten absoluut geen broek aan, zelfs een legging onder een rokje was geen optie’
Er was elke week wel een reden voor mijn ouders om me te slaan. Ik had na school eens een omweg genomen, omdat pestkoppen me stonden op te wachten om me in elkaar te rammen. Dat hadden ze eerder ook al gedaan, met een hersenschudding tot gevolg. Voor die omweg moest ik alleen over een hek klimmen en daardoor scheurde mijn panty. Mijn ouders waren woest. En te laat én een kapotte panty.
Naar mijn verhaal werd niet geluisterd. Mijn vader gaf me met zijn vuist een stomp in mijn gezicht, waardoor ik met een bloedneus achteroverviel. Mijn eten moest ik in de koude garage opeten en daarna moest ik weer naar school alsof er niets was gebeurd.”
Ernst van het leven
“Op zondag gingen we twee keer naar de kerk en vaak ook nog een keer doordeweeks. De preken duurden lang en waren saai. Als wij ook maar iets onderuitzakten, kregen we dat na afloop te horen. ‘De hele kerk heeft zich aan jullie gestoord,’ zei mijn moeder. Het was altijd onze schuld dat de preek niet gezegend was. Mijn vader was ‘fan’ van een dominee, naar wie we met regelmaat extra toe gingen. Daar- voor moesten we een uur rijden en die preken waren zo lang, niet te doen.
Als er thuis uit de bijbel werd gelezen, begreep ik daar niks van. Bidden deed ik wel, veel en krampachtig. ‘God red me,’ smeekte ik. Ik vroeg of hij het thuis wat gezelliger kon maken en of ik alsjeblieft toch in de hemel mocht komen. De angst voor de hel was zo groot. Mijn ouders namen ons altijd mee naar begrafenissen. We werden verplicht om in de open kist te kijken, hoe jong we ook waren. We moesten de ernst van het leven op die manier inzien. ‘Tja, we weten niet of deze man naar de hel of de hemel gaat,’ zei mijn vader dan. Daar was ik erg van onder de indruk. Ik had er nachtmerries van.
De eerste twee jaar van mijn middelbareschooltijd waren heel pittig. Ik werd veel gepest en was vaak alleen. Ik fietste het hele stuk vrijwel altijd in m’n eentje. Na die twee jaar ging ik naar een andere school waar een ander niveau werd gegeven. Ik kwam voor het eerst in aanraking met kinderen die niet of niet zo strenggelovig waren. Daardoor bloeide ik op. Ik kreeg een vriendje en mijn moeder was ervan overtuigd dat ik ook seks met hem had. Ze controleerde mijn telefoon en stuitte op een foto van mij in mijn beha. De hel brak los. Ze werd nog strenger en nam mijn telefoon in.”

Doofpot
“Ik heb thuis ook zeker wel warmte ervaren, maar minimaal. Ik kreeg die warmte als ik ziek was, bijvoorbeeld. Mijn opa en oma van mijn vaders kant strekten altijd hun hand om ons op afstand te groeten, een knuffel zat er niet in. Mijn opa van mijn moeders kant stond op een voetstuk. Hij was bekeerd tot het geloof en had daardoor aanzien. Als we weggingen, kregen we van hem wel een knuffel. ‘Sterven is God ontmoeten, hè meisje?’ zei hij dan.
Op m’n veertiende begon het weglopen. De ruzies thuis werden steeds extremer en ik kon het niet langer aan. Ik sliep soms op straat en ook een keer bij een vriendin onder haar bed om maar niet thuis te hoeven zijn. Ik bleef ook een keer slapen bij de mensen waar ik oppaste. Bij hen kon ik mijn verhaal kwijt. Ik nam veel mensen in vertrouwen over mijn ongelukkige leven, maar niemand deed er echt wat mee. Al op de lagere school vertelde ik dat ik thuis werd geslagen. Dat werd in de doofpot gestopt.
Op m’n zestiende had ik onveilige seks gehad en uit voorzorg de morning-afterpil genomen. Dat vertelde ik een van mijn zussen in vertrouwen, maar mijn geheimen waren nooit ergens veilig – ik had beter moeten weten. Binnen de kortste keren was mijn moeder op de hoogte. Ze noemde me een moorde- naar. Ik werd op de trein naar Friesland gezet om daar een week bij een strenggelovige kennis van mijn ouders te logeren. Deze vrouw kon geen kinderen krijgen en mijn moeder vond dat ik bij haar mijn zonden moest overdenken. Door wat ik had gedaan, zou ik waarschijnlijk nooit meer kinderen kunnen krijgen, werd me verteld.
Ik kwam steeds vaker en heftiger in opstand. Ik ontsnapte via mijn slaapkamerraam en liep over het dak van ons huis weg. Ik was voor iedereen ‘dat moeilijke kind’. Mijn ouders schakelden Jeugdzorg in en er werd een interventie georganiseerd. De dominee, mensen van school, christelijke kennissen: iedereen kwam voor overleg bij ons thuis, terwijl ik op mijn kamer moest blijven. De conclusie was dat ik weg moest. Ik werd naar een crisisopvang in Middelburg gestuurd. Ik was verdrietig en boos, ik begreep het niet. Jeugdzorg luisterde niet naar me. Ik vertelde dat mijn ouders me sloegen, maar het werd niet gehoord.”






‘Op mijn zevende ging ik languit op de weg liggen in de hoop dat een auto me zou overrijden’
Zwanger
“Toch kwam ik in Middelburg voor het eerst tot rust. Tussen alle andere probleemkinderen waar zo nu en dan de stoelen en glazen door de lucht vlogen, voelde ik me gelukkiger dan thuis. Ik werd niet geslagen, ik mocht mezelf zijn. Op de eerste zondag in de opvang had ik de neiging met mijn armen wijd over de boulevard te lopen, maar ik schaamde me om het ook echt te doen. Het was mijn eerste zondag niet in de kerk. Wat een vrijheid. ‘Mag ik blijven?’ vroeg ik al heel snel. Ik wilde niet meer naar huis en had weinig contact met mijn ouders. Toen ik uiteindelijk een containerwoning kreeg, hielp mijn moeder met schilderen. Ze liet me alles zelf betalen, terwijl ze het geld echt wel hadden. Al snel kreeg ik een relatie en raakte ik zwanger.
Ik wist niet wat ik ermee aan moest. Dit keer was ik wel echt zwanger en zou het dus zeker moord zijn als ik voor abortus zou kiezen. Ik woonde dan wel zelfstandig, maar ik voelde het oordeel van mijn ouders nog steeds. Zoiets verdwijnt niet zomaar. Ik durfde geen keuze te maken. Ik houd het maar gewoon, dacht ik. Mijn vader reageerde positief, mijn moeder niet. Mijn tante sprak over een bastaardkind. Mijn moeder moest daar hard om lachen. Ik verbrak het contact. Pas toen mijn baby een maand oud was, sprak ik mijn moeder weer. Als ze bij me kwam, liep ik meteen op mijn tenen. Niet vloeken, muziek uit, aanspreken met u. Alles ging stroef en op mijn moeders manier. Ik droeg zelfs een rok als ze langskwam.
Mijn relatie met de vader van mijn zoon heeft maar kort geduurd. Ik kwam er een paar maanden na zijn geboorte alleen voor te staan en zat in de bijstand. Dat wilde ik niet. Ik wilde online mijn geld gaan verdienen, zodat ik mijn werk kon combineren met de zorg voor Danilo. Ik kocht een training affiliate marketing en zo ontmoette ik Sebas, mijn huidige partner. Hij gaf trainingen en verdiende zijn geld online. We werden verliefd en hij kwam bij mij in mijn appartement in Zeeland wonen. De zaken liepen goed en we besloten samen de e-commerce in te gaan. Het was Sebas die me mijn ogen deed openen in het gecompliceerde contact met mijn ouders. ‘Hoe zij met je omgaan, is niet respectvol en niet oké,’ zei hij. Ik kon niet anders dan hem daarin gelijk geven. Ik besloot definitief een punt achter onze relatie te zetten.”

Eigen pad
“We zijn inmiddels verhuisd naar Amsterdam en leiden tegenwoordig een vrij leven. We delen onze eigen tijd in en genieten van de stad. Ik ben nog elke dag gelukkig dat ik weg ben uit Zeeland. Het is zo’n contrast met de kleine en vooral christelijke wereld waar ik uit kwam. Sebas en ik hebben grootse plannen voor de toekomst. We willen emigreren, het liefst dit jaar nog. Ik heb naast mijn online business inmiddels ruim vijftigduizend volgers op Instagram en ben ook influencer. Mijn kanaal gebruik ik om mijn leven zonder filter te laten zien en ook om mijn verhaal rondom het strenge geloof naar buiten te brengen. Tegen jonge meiden die in een soortgelijke ongelukkige thuissituatie zitten, kan ik maar één ding zeggen: laat je niet klein maken. Weet dat er altijd een partij is als Veilig Thuis waar je terechtkunt voor hulp. Iedereen heeft het recht zichzelf te ontdekken. Gun jezelf een betere plek om op te groeien, wees die rebel. Ik neem het niemand kwalijk, in the end wisten mijn ouders ook niet beter, zij zijn ook een product van hun eigen opvoeding. Maar natuurlijk vraag ik me weleens af hoe het zo heeft kunnen lopen dat ik niemand van mijn familie, inclusief mijn vier zussen, meer zie. Ik was altijd al controversieel. Ik dacht anders. Het was alsof ik niet in mijn eigen gezin thuishoorde.
‘TOEN MIJN MOEDER ONTDEKTE DAT IK DE MORNING-AFTERPIL HAD GENOMEN, NOEMDE ZE ME EEN MOORDENAAR’
Het doet nog steeds weleens pijn. Dat Danilo van mijn kant geen familie kent, geen opa en oma heeft, vind ik jammer. Tegelijkertijd weet ik ook dat dit het beste voor hem is. Ik zie hem nog zitten, nog geen jaar oud, met zijn handjes gevouwen. Mijn moeder paste toen een keer op en ze wilde hem meteen het geloof inprenten. Maar ik wil dat Danilo zijn eigen pad kiest.
Na een ongelukkige jeugd kan ik nu oprecht zeggen dat ik het geluk heb gevonden. Mijn ultieme droom? Dat is toch een groep mensen om me heen vinden met wie ik me echt verbonden voel. Dat wat de meesten in familie vinden…”




