
f/16 | 1/8 s | 400 mm | ISO 50
Niet alleen close-ups zijn indrukwekkend. Hier zorgt een lange sluitertijd van 1/8 seconde voor een vervaagde achtergrond bij deze blauwe reiger.
Wist je dat we in Nederland doorgaans omringd worden door ruim 24.000 diersoorten? Ze zijn overal om ons heen – de ene soort zichtbaarder dan de andere. Ze zijn ook niet allemaal even fotogeniek en niet even makkelijk om te fotograferen. Gelukkig zijn er ook maar liefst 71 verschillende zoogdiersoorten in ons midden, en vooral op sommige van die soorten zijn we helemaal verzot. Maar of je nu je eigen huisdier wilt fotograferen, exotische dieren in de dierentuin, of dieren die je in het wild tegenkomt, op de volgende pagina’s lees je wat je moet weten voor je aan de slag gaat!
Katten
Katten zijn snel, behendig en eigenzinnig. En als je ze voor de lens wil krijgen, moet je denken zoals zij. In tegenstelling tot veel andere gedomesticeerde dieren hebben katten hun eigen tempo en bepalen zij de regels voor het samenleven met hun baasjes. Ze doen alleen waar ze zin in hebben. Als ze niet op de foto willen dan keren ze de fotograaf letterlijk de rug toe, ook al is hij nog niet eens begonnen met de fotoshoot. Ze vormen natuurlijk wel een prachtig onderwerp met hun glanzende vacht en sterke gezichtsuitdrukkingen, anders was menig fotograaf al lang afgehaakt. Maar om zelfs de meest eigenwijze kat vast te leggen op een foto moet je hem als fotograaf te slim af zijn en de regels van de kat volgen. Ga er rustig voor zitten, observeer en neem de foto op het juiste moment.

f/2.8 | 1/160 s | 70 mm | ISO 400
Katten doen precies waar ze zin in hebben.

f/4 | 1/40 s | 32 mm | ISO 320
Katten zitten vaak op een vensterbank naar buiten te kijken. Het perfecte moment voor een foto!
Binnen zitten ze vaak op een vensterbank naar buiten te kijken. Het perfecte moment voor een foto! Ten eerste beweegt de kat in deze situatie niet, ten tweede is er natuurlijk daglicht. Tip: lok de kat naar het raam door iemand buiten een interessant voorwerp te laten tonen dat de aandacht van de kat zal trekken.
Buiten zie je katten vaak lekker lui liggen in de zon, maar regelmatig zie je ze ook in opperste staat van paraatheid aandachtig voor een muizengat zitten. Als je je camera bij je hebt, kun je daar een fascinerend portret van maken.
Ga er voorzichtig op af en kom niet te dichtbij, anders is de kat er al snel vandoor. Heb je te maken met een lelijke achtergrond, maak dan eens close-ups van gezicht en poten. Door de nadruk te leggen op de gezichtsuitdrukking van de kat verdwijnt de onfraaie omgeving.
Flitsen via het plafond
Katten kunnen genadeloos zijn wanneer je ze wilt fotograferen. Ze veranderen maar al te graag voortdurend hun positie. Omdat de spontane positieverandering vaak samengaat met een verandering van de lichtomstandigheden, bieden flitsers een goede lichtbron waarmee je snel kunt inspelen op die omstandigheden. Geen dier vindt het echter leuk om direct in de ogen te worden geflitst en katten vormen hierop geen uitzondering. Richt de flitskop daarom op een witte muur of op het plafond. Op deze manier wordt het licht deels weerkaatst en afhankelijk van de oppervlakken in de kamer verzacht. Omdat de verf op de muren en het plafond zelden zuiver wit is, krijgt de foto wellicht een onnatuurlijke kleurtemperatuur. Probeer in dat geval een andere witbalans van je camera totdat je een goed verlichte foto krijgt waarop de kat niet vergeeld is.

f/11 | 1/200 s | 100 mm | ISO 160
Heb je een lelijke achtergrond, maak dan een close-up van het gezicht.
Honden
Een locatie met veel ruimte en een paar lekkernijen – meer heeft een hond niet nodig om rond te rennen. Honden houden van bewegen, snuffelen, ontdekken en spelen. Het ligt daarom voor de hand om ze te fotograferen als ze helemaal in hun element zijn. Het is niet moeilijk om een hond de juiste prikkels te bieden. Je kunt met een bal gaan spelen, een snuffelparcours uitzetten of je kunt je hond oude knuffels kapot laten maken. Het beste werkt het natuurlijk om activiteiten te bedenken waarvan je hond erg geniet.

f/2.8 | 1/3200 s | 102 mm | ISO 800
Met een sluitertijd van 1/1000 seconde of korter 'bevriezen' de druppeltjes in de lucht.

f/2 | 1/800 s | 200 mm | ISO 100
Een teruggebrachte boomtak is een geweldig onderwerp.
Even belangrijk voor een dergelijke fotoshoot zijn een geschikt moment en een geschikte plek. Van de dagelijkse wandelingen met je hond ken je vast weilanden, open plekken in het bos, stranden of andere uitgestrekte gebieden die voldoende ruimte bieden om hem lekker te laten rennen. Bovendien is het handig als je op de gekozen plek geen andere wandelaars met honden tegenkomt, anders kun je het fotoproject wel afblazen. De hondenuitlaatstrook in het park is in dit geval dus niet de aangewezen plek. Houd ook rekening met de stand van de zon. Maak gebruik van de ochtend of de avond als dit mogelijk is. Rond deze tijden staat de zon laag en kun je gebruikmaken van het zachtere licht. Bedenk verder dat vachttekeningen altijd mooi zijn om te zien! Zet de foto om naar zwart-wit om het vachtpatroon geheel tot zijn recht te laten komen. Vooral portretten worden mooier door desaturatie: klassiek in plaats van te kleurig.

f/4 | 1/1250 s | 70 mm | ISO 640
Een hondenspeelveld is uitermate geschikt voor speelse foto’s met andere honden.
Geschikte plekken
Honden houden ervan om op snel bewegende objecten te jagen. Een teruggebrachte boomtak is bijvoorbeeld een geweldig onderwerp. Neem iemand mee voor het gooien van de stok en let vooral op de stand van de zon. Schijnt de zon niet in je rug, dan kun je een flitser gebruiken om de hond goed te belichten. Verder zijn veel honden dol op water. Gooi er een bal in en houd je camera met een korte sluitertijd gereed! 1/1000 seconde of korter is een must, zodat zelfs de kleinste druppeltjes 'bevriezen' in de lucht. Speelse foto’s met andere honden maak je bijvoorbeeld op een hondenspeelveld. Maar je kunt ook naar het bos om honden in actie te zien. Foto’s die je daar neemt, lijken meteen natuurlijker door de omgeving. De honden zijn in het bos helemaal in hun element en daarom veel actiever.
Wildlife
Veel fotografen geloven nog in het fabeltje dat wildlifefotografie alleen is weggelegd voor mensen met veel geld en tijd. Maar in feite was het nog nooit zo eenvoudig om bijzondere foto’s van dieren te maken. Veel parken en reservaten zijn inmiddels aangepast aan het toenemende aantal fotografen – soms met speciale dagen en openingstijden voor fotografen, maar ook met gecamoufleerde observatieposten, zodat je dicht genoeg bij de schuwere dieren kunt komen.
In principe kun je met iedere lens foto’s van dieren maken, zelfs met het kitobjectief van je camera. Maar als je met een korte brandpuntsafstand fotografeert, moet je wel creatief zijn. Wil je een vogel of een klein zoogdier beeldvullend op de foto zetten, dan moet je het dier tamelijk dicht naderen. Een teleobjectief heeft dan duidelijk voordelen. Een close-up van een dier is met zo'n lens makkelijker dan met een standaard-zoomlens. Teleobjectieven zijn wel groot, zwaar en vaak ook duur.
Het is niet waarschijnlijk dat je 11.000 euro voor een 200-400mm zoomlens wilt neertellen, of ruim 17.000 euro voor een 800mm lens. Maar er zijn genoeg zoomlenzen tot 400 millimeter te koop voor schappelijker prijzen (vanaf zo'n 800 euro).
De belangrijkste reden voor het grote prijsverschil is dat professionele modellen zeer lichtsterk zijn. Een objectief met een lichtsterkte van f/2.8 laat vier keer zo veel licht door als een lens met een maximaal diafragma van f/5.6. En daarbij geldt dat hoe groter het maximale diafragma is, des te kortere sluitertijden mogelijk zijn. Bij minder goede lichtomstandigheden of bij snel bewegende onderwerpen kunnen die twee stops enorm veel verschil maken. Je kunt de ISO-waarde verhogen om bij een minder lichtsterke lens toch een korte sluitertijd in te stellen, maar boven ISO 3200 gaat de beeldkwaliteit vaak snel achteruit. Grote diafragma’s zorgen bovendien voor een kleine scherptediepte. Daarmee is het makkelijker om je onderwerp te laten afsteken tegen een onscherpe achtergrond.
“Als je met een groothoeklens fotografeert moet je creatiever te werk gaan.”

f/5.6 | 1/640 s | 500 mm | ISO 250
Een roestgans, onder meer te vinden aan rivieren en meren in Zuidoost-Europa, is heel geschikt om de juiste techniek op te oefenen.
Een goede uitrusting
Vogels

• 75-300mm zoomobjectief
• 500mm primelens
• teleconverter
• statief met balhoofd
• bonenzak
Zoogdieren

• groothoekobjectief
• 70-200mm objectief
• 100-400mm objectief
• statief
• flitser
Portretten
Benader je wildlifefotografie als een portretfotograaf, dan kan er nog maar weinig misgaan. Het licht speelt een essentiële rol. Het volle, warme licht aan het begin en aan het einde van de dag zorgt voor veel sfeer, terwijl het zachte licht op een bewolkte dag de details in een vacht goed laat uitkomen.
Natuurlijk zijn de juiste camera-instellingen ook belangrijk. Professionele wildlifefotografen gebruiken doorgaans de diafragmavoorkeuzestand, matrixmeting en een handmatige belichtingscorrectie. Voor lichtgekleurde vogels moet je gewoonlijk een positieve belichtingscorrectie gebruiken, omdat de belichtingsautomaat wil compenseren voor hun lichte veren. Voor dieren met een donkere vacht moet je een negatieve belichtingscorrectie instellen. Stel bij bewegende onderwerpen de snelste seriefunctie in die je camera biedt, zodat je geen enkel moment van de beweging mist. Schakel bij niet-bewegende onderwerpen terug naar de enkelbeeld-opname, zodat je zorgvuldiger kunt scherpstellen.
In principe moet je bij portretten scherpstellen op de ogen, maar bij dierenfoto’s kun je je creativiteit de vrije loop laten. Stel voor een abstract beeld rustig eens scherp op de punt van de snavel of op de snuit van een dier, terwijl je de rest van het dier onscherp laat. Wil je toch op de ogen scherpstellen, dan kun je de keuze van het scherptepunt beter niet overlaten aan de autofocus. Die kiest namelijk het dichtstbijzijnde punt en dat is doorgaans niet een oog. Plaats het AF-meetveld daarom handmatig op het oog van het dier. Je kunt ook werken met het middelste meetveld, waarbij je de lens op het oog richt en de ontspanknop half indrukt om de autofocus te activeren. Vervolgens verander je de beelduitsnede terwijl je de ontspanknop half ingedrukt houdt. Onthoud dat je met het onderwerp in het midden zelden een echt interessante foto krijgt.
Veel vogels en zoogdieren weten zich uitstekend te camoufleren en te verbergen. Dat maakt het er voor de autofocus niet eenvoudiger op. Door het ontbreken van contrast tussen het dier en zijn omgeving vindt de autofocus soms geen punt met genoeg structuur om op scherp te stellen. Hij blijft dan voortdurend heen en weer pompen. In zulke gevallen stel je scherp op een deel van je beeldveld dat meer structuur heeft en net zo ver van de camera verwijderd is als het dier. Een boom of een rots, bijvoorbeeld. Vervolgens kies je met half ingedrukte ontspanknop de gewenste beelduitsnede en druk je af.
“Onthoud dat je met het onderwerp in het midden zelden een bijzonder interessante foto krijgt.”

f/7.1 | 1/250 s | 500 mm | ISO 50
Door op ooghoogte van het dier te fotograferen ontstaat een intiemer beeld.
Camera-instellingen
Diafragmavoorkeuze
Wil je een portretfoto van een dier maken, dan moet je je camera in de diafragmavoorkeuzestand ('A' of 'Av') zetten. In deze modus heb je zelf controle over het diafragma. Met een ver geopend diafragma (bijvoorbeeld f/2.8) reduceer je de scherptediepte en maak je de achtergrond onscherp, zodat die niet meer afleidt van het onderwerp.

Scherp schieten
Investeren in een camera of een objectief met beeldstabilisatie is zeker de moeite waard. Het verschil tussen een relatief scherpe en een haarscherpe foto is enorm. Zorg ervoor dat je de beeldstabilisatie goed instelt. Vaak corrigeert die in een objectief in de 'Portret'-modus zowel horizontaal als verticaal, terwijl hij in de 'Actie'-modus maar in één richting stabiliseert.

Aandachtspunten
Niet in het midden
Maak de compositie zo dat de dieren niet in het midden van het beeld komen – tenzij ze recht in de camera kijken.
Laag bij de grond
Maak je foto’s niet terwijl je rechtop staat, maar zorg dat je op ooghoogte van het dier bent. Zo worden je foto’s veel intiemer.
Staand of liggend
Is het dier groot of heeft het een lange hals, dan kun je, als je dichtbij genoeg bent, het beste in staand formaat fotograferen. Probeer een belangrijk beeldelement (bijvoorbeeld een oog) volgens de regel van derden te plaatsen.
Zorg voor ruimte
Kijk tijdens het bewerken uit bij het bijsnijden. Zorg voor ruimte rondom het dier, dat zorgt voor rust. Snijd poten, voelsprieten of staarten niet aan.
Achtergrond kiezen
Controleer voordat je de ontspanknop indrukt of de achtergrond geen storende elementen heeft. Zie je een licht stuk in de lucht of een storende tak, dan kun je beter een andere camerapositie kiezen.
Gebruik de randen
Wil je uit een groep vogels een enkel exemplaar fotograferen, dan moet je er een aan de rand uitkiezen, zodat die vogel helemaal zichtbaar is.
Actiefoto’s

f/25 | 1/5 s | 400 mm | ISO 50
Voor foto’s met beweging kies je de diafragma-voorkeuzestand en zorg je voor een relatief lange sluitertijd. Hier was de sluitertijd 1/5 seconde bij f/25 en ISO 50.
Dieren in actie fotograferen doe je niet zomaar, vooral niet wanneer je een telelens gebruikt. Als je het niet gewend bent, is het namelijk erg lastig om het dier met de camera te volgen. Maar al te snel raak je het dier kwijt uit het zoekerbeeld en het is dan nog niet zo eenvoudig om het weer in beeld te krijgen. Neem bij de keuze van de beelduitsnede wat meer ruimte. Door iets uit te zoomen wordt het veel gemakkelijker om het dier in de zoeker te houden.
Bij dieren in beweging moet je eerst beslissen of je de beweging scherp of juist vervaagd in beeld wilt brengen. Voor haarscherpe foto’s waarop alle beweging volledig bevroren wordt, heb je een korte sluitertijd nodig. Gebruik de diafragmavoorkeuzestand ('A'/'Av') en kies het grootste diafragma dat je objectief te bieden heeft. Vervolgens verhoog je de ISOwaarde net zo ver tot je een sluitertijd kunt gebruiken die kort genoeg is om de beweging te bevriezen. Hoe kort die sluitertijd moet zijn, hangt af van je afstand tot het dier, de snelheid van zijn beweging en van de vraag of het dier naar de camera toe beweegt. Een jagende valk heeft al snel een sluitertijd van 1/4000 seconde nodig, terwijl de beweging van een vos met 1/500 seconde al bevroren kan worden.
Wil je de beweging van dieren vervaagd in beeld brengen, dan kies je een kleiner diafragma of haal je de ISO-gevoeligheid omlaag, zodat de sluitertijd langer wordt. De bewegingsonscherpte versterkt de indruk van snelheid, vooral wanneer je een meetrekker maakt, dat wil zeggen, met de camera tijdens het maken van de foto met de beweging van het dier meebeweegt. Het dier wordt dan scherp afgebeeld, terwijl de achtergrond door de beweging van de camera onscherp wordt. Welke sluitertijd dan nodig is, hangt ervanaf hoe snel het dier beweegt, hoe ver weg het is en hoe onscherp de achtergrond moet worden. Soms is een klein beetje onscherpte aan de uiteinden van de vleugel al goed, terwijl het in andere situaties mooi kan zijn om het hele beeld een soort impressionistische onscherpte mee te geven. Zorg ervoor dat de autofocus op het objectief ingeschakeld is en dat in de camera de continue autofocus actief is, zodat het onderwerp tijdens zijn beweging goed gevolgd kan worden.






“Als je het niet gewend bent, is het erg lastig om het dier met de camera te volgen.”

f/4 | 1/2000 s | 500 mm | ISO 800
Dankzij een zeer snelle sluitertijd lijkt deze kolibri zijn vleugels stil te houden.
Teleconverters
In plaats van een vermogen te investeren in een nieuw objectief kun je ook een teleconverter aanschaffen. Dit is een optisch element dat je tussen de vatting van de camera en het objectief aanbrengt en dat de brandpuntsafstand verlengt. Dit element vergroot het centrale deel van het beeld dat door het objectief valt. Dit zorgt wel voor kwaliteitsverlies aan de beeldranden. Vignettering is dus vaak niet te vermijden.
De meest voorkomende sterktes van teleconverters zijn 1,4-voudig en 2-voudig. De resulterende brandpuntsafstand bereken je eenvoudig door de betreffende factor te vermenigvuldigen met de brandpuntsafstand van het objectief. Zo levert een 1,4-voudige teleconverter achter een 300mmteleobjectief een brandpuntsafstand op van 420 millimeter. Is de sensor van je camera niet op fullframe-formaat, dan moet je ook rekening houden met de cropfactor. Op een APS-C-spiegelreflex van Canon krijg je bij het voorbeeld van zojuist een brandpuntsafstand van 672 millimeter.
Een 1,4-voudige converter zet de brandpuntsafstand van een 500mm-telelens om in maar liefst 700 millimeter. Ideaal voor bij deze Vlaamse gaai hieronder.
Camera-instellingen
AF-meetvelden
Bij camera’s met veel meetvelden kun je het aantal actieve velden handmatig reduceren. Dan wordt het voor de autofocus eenvoudiger om de beweging te volgen.

Sneller scherpstellen
Bij weinig licht heeft de lens soms meer tijd nodig om scherp te stellen. Sommige objectieven bieden de optie om de autofocus te begrenzen. Doe je dit, dan werkt hij sneller.

Aandachtspunten
Ruimte overlaten
Zorg voor genoeg ruimte rondom je onderwerp, vooral in de richting van de beweging. Maar soms kun je de beweging juist benadrukken door een krap kader te maken.
De juiste timing
Dieren in het wild zijn doorgaans het meest actief aan het begin en aan het einde van de dag. De snelle bewegingen in combinatie met het weinige licht betekenen dat je een groot diafragma en een hoge ISOwaarde moet instellen.
Groepsfoto’s
Als je een enkel dier uit een groep kleine vogels als onderwerp voor je foto wilt nemen, kun je het beste zelf een enkel AF-veld kiezen om scherp te stellen. Zo voorkom je dat de camera van de wijs raakt door de beweging van andere vogels.
Handmatig scherpstellen
Heb je de gewoontes van een dier of groep dieren leren kennen en weet je dat ze op een bepaald moment op een bepaalde plaats komen? Stel dan scherp op dat punt en schakel vervolgens over naar handmatig scherpstellen, zodat je de focus vasthoudt.
Silhouetten
Als je een meetrekker maken nog te moeilijk vindt, kun je ook eerst iets anders uitproberen: fotografeer een dier met een korte sluitertijd bij tegenlicht. Creëer zo een silhouet. Laat de camera hiervoor het licht in de achtergrond meten.

Telescoop voor close-ups
Veel vogelfotografen gebruiken in plaats van een supertelelens een telescoop (monoculair) voor hun beelden. Als je je camera met behulp van een adapter verbindt met een telescoop ('digiscoping'), dan beschik je over een brandpuntsafstand van 1000 mm of meer. Bij zo'n immense vergroting wordt het gevaar van onscherpte door trillingen heel groot. Je hebt dan beslist een stabiel statief en een afstandsbediening nodig. Bovendien moet je de camera (in geval van een dslr) vooraf de spiegel laten opklappen of Live View gebruiken. Ondanks deze beperkingen is een telescoop een geweldig alternatief voor een peperdure supertelelens.
In de dierentuin
Voor veel fotografen is de dierentuin een populaire bestemming voor een dagje uit. Je vindt er dieren uit de meest uiteenlopende klimaten, van ijsberen en pinguïns tot apen en wolven. De dierentuin is daarmee de perfecte locatie voor dierenfoto's. Maar als je de dieren wilt afbeelden alsof ze in vrijheid leven, moet je wel vermijden dat er hekken en tralies op de foto komen. Met de juiste techniek en camera-uitrusting is dat geen probleem.
Vooral zoomlenzen zijn handig. Je kunt de brandpuntsafstand daarvan steeds aanpassen aan datgene wat je wilt fotograferen. Met de combinatie van een lange brandpuntsafstand en een open diafragma (ongeveer f/5.6) wordt het traliewerk op de voorgrond onscherp en nauwelijks meer zichtbaar. De brandpuntsafstand moet minstens 100 millimeter zijn. Nog beter is een objectief met 200 millimeter. Maar hoe groter de brandpuntsafstand, des te groter is het risico op bewogen foto's. Zonder statief moet de sluitertijd daarom niet langer zijn dan de omgekeerde waarde van de brandpuntsafstand (bij 200 millimeter dus 1/200 seconde). Bij ongunstige lichtomstandigheden is het aan te raden om een statief te gebruiken. Zo voorkom je bewegingsonscherpte, maar dat werkt natuurlijk alleen bij dieren die stil blijven zitten.
Informeer naar het dagritme van de dieren. Niet alleen het slaapritme, maar ook de eettijden. De tijdstippen waarop dieren gevoerd worden, staan vaak op de bordjes bij de onderkomens.
Voor dierenfotografie heb je vooral veel geduld nodig. Timing en voorkennis zijn ook belangrijk, maar vormen nog geen garantie voor perfecte foto's. Neem de tijd en laat je niet van de wijs brengen als een foto niet meteen lukt.
"Als je de dieren wilt afbeelden alsof ze in vrijheid leven, moet je wel vermijden dat er hekken en tralies op de foto komen."



Actie in beeld
Orang-oetans zijn opgewekt en nieuwsgierig. Het zijn energieke dieren. Met hun soms wel twee meter lange armen zwieren de primaten van tak naar tak. Daarbij verlaten ze de bomen slechts zeer zelden. Zet de apen altijd met een korte sluitertijd (1/250 seconde of korter) in actie op de foto. Omdat ze zich vooral in de kruinen van de bomen bevinden, is een telelens wel zo handig.

Standpunt zoeken
Op de eerste foto kijkt de giraf recht in de camera. Eigenlijk een prachtig moment, maar door de lelijke achtergrond is de foto niet veel meer dan een simpel kiekje. Op de tweede foto vormt de min of meer egale hemel een beduidend betere achtergrond dan de betonnen vlakken op de eerste foto. Bedenk van tevoren welke eigenschappen kenmerkend zijn voor het dier dat je wilt fotograferen. Bij de giraf is dat de lange nek. Vanuit kikvorsperspectief komt de nek bijzonder goed tot zijn recht. Ook wanneer de kop van het dier centraal staat in de foto, is het van belang om de nek goed naar voren te laten komen.


Geen tralies in beeld
Als je een dier achter tralies fotografeert, krijg je al gauw een deprimerend beeld zoals op de eerste foto. Fotografeer indien mogelijk dieren die wat vrijer rondlopen en door bijvoorbeeld een laag muurtje en een greppel van het publiek gescheiden zijn. Als je een lange brandpuntsafstand gebruikt, bijvoorbeeld 200 millimeter, worden tralies zo onscherp dat ze niet meer goed te zien zijn, zoals op de tweede foto. Als ze dan toch nog zichtbaar zijn, kun je ze in een fotobewerkingsprogramma wegklonen.





