
Je baas belt je op en zegt kortaf dat je naar zijn kantoor moet komen. Meteen voel je je hartslag versnellen, je maag trekt zich samen en je handpalmen worden klam van het angstzweet.
Dit lijkt op de reactie wanneer je oog in oog staat met een leeuw. Angst is echter geen vrees voor direct gevaar, maar een onbestemd gevoel van onrust en bezorgdheid over wat er zou kunnen gebeuren.
Deze reactie is normaal en helpt om snel in actie te komen bij dreigend gevaar. Maar voor sommige mensen is angst geen waarschuwingsmechanisme meer, maar overheerst het gevoel en wordt het een permanente last.
Al jaren zoeken wetenschappers naar de reden waarom angst soms verandert van nuttige respons naar een verlammende stoornis. Dit antwoord is essentieel voor het vinden van betere behandelingen. Een Amerikaans team onder leiding van neurobioloog Andrew Fox denkt nu een doorbraak te hebben bereikt: ze lokaliseerden de oorsprong van angst in een specifiek hersengebied.
Angst krijgt de overhand
Wereldwijd ontwikkelt een op de zes mensen op enig moment een angststoornis, en een op de tien heeft het afgelopen jaar last gehad van angst. In Europa is angst de meest voorkomende psychische aandoening, en in Scandinavië is het percentage mensen met angst een van de hoogste ter wereld.

Angst kan iedereen treffen – jong, oud, man, vrouw – en varieert van prestatieangst en fobieën tot gegeneraliseerde angst en paniekaanvallen. Dit is een van de grote uitdagingen van de aandoening: ze is complex en divers. En de behandeling die de ene persoon helpt, werkt misschien niet voor de ander. Het gevolg is dat veel mensen jarenlang niet de juiste hulp krijgen en dat sommigen nooit helemaal uit de greep van angst komen.
60 miljoen Europeanen lijden aan een angststoornis volgens een onderzoek uit 2011.
Angst is een manier van het lichaam om ons te beschermen. Het begint in het hersencentrum amygdala, waar mogelijke bedreigingen worden geregistreerd en beoordeeld. Besluit het centrum dat er gevaar dreigt, dan stuurt het signalen naar het lichaam om zich voor te bereiden op vechten of vluchten. Het resultaat: hartkloppingen, snelle ademhaling en gespannen spieren.
Dit systeem is essentieel – maar ook kwetsbaar, want bij sommige mensen wordt het te actief. De reactie komt te vaak, is te hevig of steekt de kop op als er geen echt gevaar is.
Voor sommigen begint angst al bij het idee om te spreken in het openbaar. Bij anderen gaat het om plotselinge aanvallen waarbij het voelt alsof het lichaam bijna instort. En bij sommigen is de angst bijna altijd op de achtergrond aanwezig.
Alle angststoornissen hebben gemeen dat de reactie niet bij de situatie past en het gedrag negatief gaat beheersen. Ook is de oorzaak vaak vergelijkbaar. Dat zegt neurobioloog Andrew Fox van de Universiteit van Californië tegen Wetenschap in Beeld:
‘Als neurowetenschapper denk ik dat deze stoornissen ontstaan door een samenspel tussen genen en omgeving, wat hersencellen en-netwerken beïnvloedt.’
Om precies te zijn tonen onderzoeken aan dat tot twee derde van de kans op angst door genen wordt bepaald.
De rest hangt af van de omgeving waarin we opgroeien. Soms ontstaat de stoornis door een duidelijk trauma, maar vaak zijn er meer verborgen patronen: een onderliggend gevoel van onveiligheid, het idee niet goed genoeg te zijn of anderen niet te kunnen vertrouwen.
In alle gevallen beïnvloedt dit de ontwikkeling van de hersenen, waarbij de amygdala gevoeliger wordt voor signalen van gevaar. Fox en zijn collega’s hebben nu ontdekt wat er daarbij precies gebeurt.
Hersencellen remmen angst
De amygdala is vaak aangewezen als het centrale angstcentrum. Pas sinds kort beseffen onderzoekers dat niet alle delen van de amygdala hetzelfde functioneren.
In dit kleine hersengebied bevinden zich clusters van cellen met ieder een eigen rol. Sommige maken het lichaam alert. Andere dempen de reactie juist – als biologische remmen die angst onder controle houden. Bij proefdieren zagen onderzoekers eerder een specifieke groep van zulke dempende cellen – intercalaire cellen – die bepaangstsignaal is. Nulen hoe krachtig een heeft Fox de menselijke variant daarvan gevonden.

In een studie uit 2024 gebruikte hij single-cell RNA sequencing om delen van de amygdala van mensen en apen te vergelijken. Met deze methode wordt zichtbaar welke genen actief zijn in iedere hersencel, zodat verschillende celtypen kunnen worden geïdentificeerd op basis van functie.
Het onderzoek van de hersenen van vier resusapen en vier overleden mannen vond bij mensen een cluster cellen in de amygdala die lijken op de angstdempende cellen uit eerdere dierproeven – qua locatie en genetische activiteit. De analyse wees ook uit dat dit celcluster in verband staat met genen die in grote studies zijn gelinkt aan angst.






De pas ontdekte cellen zijn ideaal geplaatst om de angstreacties van de hersenen te reguleren. Ze zitten tussen het buitenste deel van de amygdala, dat signalen van mogelijk gevaar ontvangt van de zintuigen, en het binnenste deel, dat de angst verspreidt naar de rest van het lichaam.
Als de cellen er niet waren, zou het buitenste deel vrij zijn om signalen naar het binnenste deel te sturen en zou de angst bijna constant door het lichaam razen. Maar de cellen kunnen de signalen afremmen.
De cellen krijgen input van de frontale hersenkwabben, die verantwoordelijk zijn voor rationeel beoordelingsvermogen en zelfbeheersing. Zij stoppen de angstsignalen als de situatie niet gevaarlijk is.
Bij mensen met angststoornissen lijken deze cellen echter niet goed te functioneren. Dit kan het gevolg zijn van mutaties of omgevingsfactoren die de activiteit van bepaalde genen in de cellen veranderen.
17 procent van ons krijgt op enig moment een angststoornis.
Andrew Fox ontdekte dat het NPFFR-gen een belangrijke rol kan spelen bij angst. Dit geeft onderzoekers een voordeel bij het ontwikkelen van nieuwe behandelingen.
Genen wijzen de weg naar behandeling
Het NPFFR-gen is verantwoordelijk voor de aanmaak van een gelijknamige receptor. Die bevindt zich op het oppervlak van angstdempende cellen, maar als hij geacti-veerd wordt door een specifieke signaalstof, versterkt hij het angstgevoel.
Door zijn centrale rol is de receptor een aantrekkelijk doelwit voor nieuwe therapieen. En dankzij het onderzoek van Fox weten we nu op welke cellen hij zit.
‘De meeste medicijnen beïnvloeden de werking van cellen,’ zegt Fox. ‘Dus als we weten welke cellen we willen beïnvloeden, kunnen we behandelingen veel gerichter maken.’
Het idee is om een medicijn te ontwikkelen dat de receptor blokkeert, zodat het overmatige angstgevoel niet ontstaat.
Volgens Fox is het echter niet genoeg om je alleen op NPFFR te richten. Zijn onderzoek laat zien dat er andere mogelijke doelwitten in de hersenen zijn en dat het belangrijk is om verschillende geneesmiddelen te ontwikkelen die zich op elk van deze doelwitten kunnen richten. Bij sommige patiënten zal niet NPFFR het probleem zijn, maar een ander gen.
Elk medicijn zal waarschijnlijk maar werken bij een klein deel van de patiënten, maar met veel verschillende medicijnen kunnen onderzoekers toch de meeste patienten helpen.
‘Onderzoekers en artsen zouden blij moeten zijn met behandelingen, zelfs als ze maar 1 procent van de mensen met een psychische aandoening helpen,’ legt Fox uit. ‘Die gedachtegang maakt ook de weg vrij voor aanvullende behandelingen die de andere 99 procent kunnen helpen – een voor een.’
Fox belooft geen universeel geneesmiddel voor angst. Maar zijn onderzoek opent de deur naar de ontwikkeling van een arsenaal aan medicijnen, zodat artsen voor elke patiënt het juiste kunnen kiezen. Dit maakt het mogelijk om overmatige en ongezonde angst te verminderen en toch de gezonde angst te behouden die je alert houdt als de baas belt.
LEES VERDER

Scan de code om meer artikelen over de MENS te lezen op wibnet.nl




