
“Nog steeds in shock zat ik op de achterbank van mijn auto. Twee Egyptische mannen die ik niet kende, zaten voor me. Ze hadden aangeboden mij naar het vliegveld te brengen, waar ik voor het ongeluk al naar onderweg was. Maar opeens namen ze een afslag richting de woestijn. ‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg ik in het Engels. Een van de mannen reageerde: ‘Niks aan de hand, we gaan documenten in orde brengen.’
Hoewel er toen al wat alarmbellen bij mij afgingen, wist ik niet zo goed wat ik moest doen. Na nog een kwartier rijden, stopten we voor een politiebureau.”
Niet helder nadenken
“Zeven maanden lang werkte ik van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, zes dagen per week. Hoewel het flink aanpoten was, had ik het prima naar mijn zin als reisleider in Egypte. Ik was in december 2018 met dit werk begonnen omdat ik graag in het buitenland wilde werken. Ik vond het leuk en uitdagend en wilde absoluut nog lang niet terug naar huis. Ook omdat ik een relatie met mijn manager had gekregen. We waren superverliefd en het voelde goed om elke dag bij hem te zijn. Ik was blij met mijn leven in Egypte en genoot van elke dag. Tot de dag van het ongeluk, in de zomer van 2019. Op een warme middag reed ik vanaf het appartement van mijn vriend naar een hotel, waar ik de aankomende vluchtinformatie moest ophangen. Vervolgens zou ik naar het vliegveld rijden. Tijdens het uitparkeren, voelde ik dat ik iets raakte. Shit, dacht ik nog, vast een vuilnisbak. Maar dat was het niet. Opeens bonsde er iemand hard op mijn raam. Het was een vrouw, ze was boos en huilde. Op dat moment hoorde ik ook een kind huilen. Geschrokken stapte ik uit en zag een jongetje van een jaar of zes achter mijn auto op de grond liggen.
‘IK VOELDE DAT IK IETS RAAKTE. SHIT, VAST EEN VUILNISBAK. MAAR OPEENS BONSDE ER IEMAND HARD OP MIJN RAAM’
De vrouw rende naar hem toe en praatte in het Turks tegen hem. Blijkbaar waren ze toeristen. Terwijl het jongetje zijn arm vasthield, wees hij naar mij. ‘She hit me!’ schreeuwde hij. In paniek vroeg ik of het met hem ging. Ook verontschuldigde ik me, wel tien keer achter elkaar. De arm van het jongetje zag er niet goed uit. Die stond een beetje in een vreemde stand, alsof ie gebroken was. Ineens stonden er allemaal mensen om ons heen, toeristen en Egyptische locals. Een paar mensen hielpen het jongetje en iemand van het hotel bood mij een glas water aan voor de schrik. Ondertussen huilde ik ook. Ik was enorm geschrokken en voelde me ontzettend schuldig, maar ik had het jongetje echt niet gezien. Twee vriendelijke Egyptenaren ontfermden zich over mij. ‘Doe maar rustig,’ zeiden ze tegen me. Ook vroegen ze waar ik naartoe moest. Ik antwoordde dat ik op het vliegveld werd verwacht en de mannen vroegen of ik nog wel kon rijden. Omdat ik in shock was, bood een van hen aan om mij in mijn eigen auto naar het vliegveld te rijden. Ik kon achterin plaatsnemen, zodat ik even kon bijkomen. Opgelucht nam ik de hulp aan. Door alle commotie kon ik niet echt helder nadenken, dus ik was blij dat er iemand was die mij wilde helpen. Wat ik alleen niet had verwacht, was dat de andere man ook instapte toen ik achterin zat. En dat ik dus niet naar het vliegveld, maar naar een politiebureau werd gebracht.”
Verklaring afleggen
“Onderweg heb ik nog geprobeerd om iemand te bellen. Eerst mijn vriend, maar hij had thuis al gezegd dat zijn batterij leeg was. Daarna nog wat collega’s, maar niemand nam op. Uiteindelijk kreeg ik via iemand die de excursies voor ons regelde onze safety manager aan de lijn: ‘Als je een ongeluk hebt gehad en op het politiebureau in Egypte zit, moet je maken dat je wegkomt,’ zei hij. ‘Ik kom eraan!’ Bezorgd vroeg ik bij aankomst meteen waar het toilet was. Ik loog dat ik moest plassen en wachtte op de wc totdat de safety manager er was. Toen ik hem na zo’n tien minuten zag, werd ik iets rustiger. We hadden een goede band. Hij was een Egyptenaar van een jaar of vijftig en zorgde altijd een beetje voor mij. Het eerste wat hij deed, was mij geruststellen. ‘Het komt wel goed,’ zei hij. ‘Ik ga je helpen een verklaring af te leggen.’ In een kleine kamer vertelde ik opnieuw aan hem en de politie wat er gebeurd was. Dat ik het echt vreselijk vond, maar dat ik het jongetje niet had gezien. En dat het leek alsof hij uit het niets achter mijn auto was gekomen. De mannen knikten en praatten in het Arabisch tegen elkaar. Ik begreep er weinig van, maar ik kreeg wel door dat ik een nacht daar moest blijven. In paniek hoorde ik het allemaal aan. Dit was mijn straf, dacht ik, terwijl ik in tranen mijn telefoon en andere spullen afgaf. Voordat ik het wist, werd ik naar een cel gebracht. Onderweg hoorde ik allemaal mensen in andere cellen in het Arabisch tegen elkaar schreeuwen. Mijn cel was een kleine betonnen bunker van ongeveer drie vierkante meter. Toen de bewaker de deur opende, stonden er vier vrouwen. Ze zagen eruit als zombies: uitgemergeld en lijkbleek. In eerste instantie zeiden ze niks tegen mij. Ze waren vooral gefocust op de bewaker die mij de cel liet ingaan. Het was duidelijk dat ze op hun hoede waren voor hem. Toen de bewaker weg was, ontfermden de vrouwen zich over mij. Ze waren heel lief en vroegen wat er gebeurd was. Ook vertelden ze wie zij waren. Twee vrouwen kwamen uit Oekraïne. Ze hadden voedingssupplementen in hun bagage gehad en werden verdacht van drugssmokkel. De derde vrouw was Syrisch. Zij was opgepakt omdat ze geen visum had. En de laatste vrouw was Somalisch, zij zat vast omdat ze geen paspoort had. Ik had met iedereen te doen. Vooral toen ik hoorde dat de Oekraïense vrouwen al een jaar vastzaten en niet wisten of en wanneer ze weer vrijkwamen. Er waren geen bedden, dus we zaten op de grond. In de hoek van de cel was een gat, dat fungeerde als toilet. Meer was er niet. En het was er stikheet, een heel benauwende warmte.”
‘De man die me na het ongeluk naar het vliegveld zou brengen, NAM OPEENS EEN ANDERE AFSLAG’


Paniek
“Die eerste dag en nacht bracht ik vooral slapend door. Ik was zo moe van alles wat er gebeurd was, dat ik continu in slaap viel. De volgende dag was ik klaar om te vertrekken, maar toen ik ’s ochtends aan de bewaker vroeg wanneer ik weg mocht, zei hij: ‘Morgen.’ Een reden gaf hij niet. Ook niet toen hij op de tweede dag zei dat ik pas ‘volgende week’ naar huis mocht. Ik raakte compleet in paniek, had geen idee wanneer ik vrijkwam. Ondertussen bleef ik met de vier vrouwen in de cel. We kregen twee keer per dag te eten, een soort vieze, bruine brokkenpap. Even naar buiten om te luchten, mocht niet. Overdag hadden we licht van een grote tl-lamp aan het plafond en ’s nachts ging het licht uit. Om de paar uur kwamen de bewakers onze cel controleren, dus onze slaap werd telkens onderbroken. Dit in combinatie met de vreselijke hitte maakte de cel echt de hel. Uiteindelijk werd ik na twee dagen door bewakers opgehaald. Snel nam ik van mijn celgenoten afscheid, maar buiten zag ik tot mijn schrik dat er een gepantserde auto klaarstond. Ik moest instappen en onderweg zeiden de bewakers dat we naar de rechtbank gingen. Hier schrok ik zo van dat ik heel hard moest huilen. ‘Stop met huilen,’ zei een van de bewakers. ‘Als je dat niet doet, gaan we terug naar het politiebureau.’ Met moeite wist ik mijn tranen in te houden, totdat ik in de wachtkamer van de rechtbank mijn vriend en mijn collega’s zag. Ze vroegen hoe het ging en ik zei dat ik mijn best deed om niet te huilen, omdat we anders teruggingen. Stiekem gaf een van mijn collega’s zijn telefoon aan mij toen de bewaker even niet keek. Snel sms’te ik mijn ouders dat ik in de gevangenis zat en dat het mogelijk was dat ik terug moest. Of zij al door mijn werkgever waren ingelicht, weet ik niet, maar dat moest haast wel. Vooral omdat mijn moeder direct terugsms’te dat ik niet te hard moest huilen. Een paar uur voor het ongeluk had ik haar nog gesproken en verteld dat ik diarree had. Mijn moeder schreef daarom in haar berichtje dat ik niet nog meer vocht mocht verliezen. Nu denk ik: wat een gek berichtje eigenlijk, maar ik vermoed dat mijn ouders, net als ik, in shock waren.”
‘ER WAREN GEEN BEDDEN, WE ZATEN OP DE GROND. IN DE HOEK WAS EEN GAT: HET TOILET’
Opnieuw de cel in
“Het was fijn dat de safety manager ook bij de rechtbank was. Hij deed het woord voor mij en hield met tranen in zijn ogen een heel pleidooi waarom ik niet terug mocht naar de gevangenis. Wat ik ervan verstond, was dat ik als zijn dochter voelde en ik hem als mijn tweede vader zag. Ik was enorm geroerd door zijn lieve woorden. Tijdens de pauze die volgde, stond ik samen met de safety manager buiten toen de rechter bij ons kwam staan. In het Arabisch zei hij dat ik vrij was. De opluchting! Ik was ontzettend blij. Er stond een gepantserde auto klaar om mij terug te rijden naar het politiebureau, waar de laatste documenten moesten worden geregeld.






Opnieuw schoot ik volledig in paniek. Ik wilde echt niet terug. Het scheelde dat mijn vriend en collega ook naar het politiebureau kwamen. De bewaker vertelde dat er eerst gecheckt moest worden of ik ergens een strafblad had. Dit stelde mij gerust, ik wist dat ik nog nooit de wet had overtreden. Van de ontlading kreeg ik een beetje de slappe lach. Dat was volgens de bewaker niet de bedoeling. Ik moest terug de cel in en plotseling zat ik dus weer bij mijn oude celgenoten. Ze deden hun best me gerust te stellen, maar ik kon alleen maar malen. Omdat niemand me op de hoogte hield, had ik geen idee wanneer ik weer vrijkwam. Elke dag was vreselijk. Ik voelde me vies en moe en had het gevoel alsof ik er al jaren zat.
‘ELKE DAG WAS VRESELIJK. IK VOELDE ME VIES EN MOE EN HAD HET GEVOEL ALSOF IK ER AL JAREN ZAT’
Samen met de Somalische vrouw deelde ik ’s nachts haar hoofddoek. Daar lagen we met onze hoofden op, zodat we niet helemaal op de vieze grond hoefden te liggen. Totaal onverwachts werd ik na vijf lange dagen vrijgelaten. Ik kon het bijna niet geloven. Mijn vriend haalde me op met een bos bloemen. Mijn ouders waren erg opgelucht, maar mijn vader was ook woedend dat dit mij überhaupt overkomen was. Het liefst kwam hij direct naar Egypte om verhaal te halen, maar dat wist mijn moeder hem gelukkig uit zijn hoofd te praten. Teruggaan naar huis hoefde voor mij niet meteen. Ik was zo blij dat ik weer kon leven. Toch besefte ik ook dat ik alles eerst moest verwerken, voordat ik weer aan het werk kon. Mijn werkgever gaf me een maand vrij en regelde ook een gesprek met een psycholoog.
Eindelijk terug in mijn appartement viel ik direct als een blok in slaap. Het was de bedoeling dat mijn vriend de hele avond bij mij zou blijven, maar helaas moest hij ’s avonds weg voor zijn werk. Hierdoor was ik helemaal alleen en ik schrok continu van alle geluiden die ik buiten hoorde. Volgens de psycholoog die ik de volgende dag sprak, was dat heel normaal. Ik zei dat het verder allemaal wel ging, maar volgens hem kon de klap pas later komen. Dat gebeurde inderdaad, ongeveer een maand later.”
Traumatherapie
“Ik was in de tussentijd even terug naar mijn ouders in België gegaan om bij te komen. Na twee weken wilde ik terug naar Egypte om bij mijn vriend te zijn, maar volgens mijn werkgever was het beter als ik even niet meer in Egypte was. Het bleek dat ik voorwaardelijk vrij was, dat wist ik helemaal niet.
De ouders van het jongetje dat ik had aangereden, waren in hoger beroep gegaan, dus er kon een nieuwe rechtszaak komen. Ik was net uit de hel gekomen en opeens was er een kans dat ik weer terug moest. Gelukkig kon ik worden overgeplaatst naar Dubai. Mijn vriend bleef in Egypte, omdat hij daar nodig was. Ook in Dubai ging ik aan de slag als reisleider, maar al snel haalden mijn opgelopen trauma’s mij in. Zo werd ik op de gekste momenten herinnerd aan mijn verblijf in de gevangenis. Als ik ergens kwam waar geen airco was bijvoorbeeld. Of als ik de politie op straat zag. Ik was constant op mijn hoede en had ’s nachts veel nachtmerries. In mijn auto rijden durfde ik ook niet meer. Ik was ontzettend bang om weer een ongeluk te krijgen.
Daarom volgde ik online EMDR-sessies (traumatherapie, red.) bij mijn psycholoog. Dit hielp wel iets, maar echt veilig voelde ik me niet in Dubai. Daarom werd ik na een maand overgeplaatst naar Gran Canaria.
‘Opeens ontdekte ik dat ik voorwaardelijk vrij was. Ik was net uit de hel en NU WAS ER EEN KANS DAT IK TERUG MOEST’
Vlak daarna liep mijn relatie op de klippen. De verschillen tussen ons bleken te groot en ik kwam erachter dat hij over een aantal belangrijke dingen had gelogen. Waarover precies, houd ik graag voor mezelf, maar ik vertrouwde hem niet meer en had echt veel liefdesverdriet. Toch wist ik me ook toen na een paar weken weer te herpakken. Op een dag dacht ik: nu is het klaar, ik ga weer leven. Doordat mijn werk in die periode door corona stillag, ging ik schrijven over wat ik had meegemaakt. Dit resulteerde in mijn boek Een nacht in een kooi. Voor mij was dit heel therapeutisch. Er was zo veel gebeurd, het was fijn om dat allemaal van me af te schrijven.”
Liefde
“Inmiddels woon ik alweer vier jaar op Lanzarote. Ik werk als schrijver en geef af en toe Spaanse les aan mensen die de taal nog niet zo goed spreken. Verder ben ik supergelukkig met mijn huidige vriend Geronimo en onze tweejarige dochter Lily. Geronimo komt uit Argentinië en werkte al op Lanzarote toen ik hem leerde kennen. Het was liefde op het eerste gezicht. Toen hij hoorde wat ik in Egypte allemaal had meegemaakt, was hij echt in shock. Hij kon niet geloven dat zoiets kon gebeuren.

Van mijn PTSS heb ik dankzij verschillende therapiesessies gelukkig geen last meer. Ik geniet vooral van de prachtige natuur op het eiland, de rust, het schrijven en het zorgen voor mijn kind. Mijn werk als reisleider behoort echt tot mijn verleden. Ook mijn tijd in Egypte heb ik voor mezelf grotendeels afgesloten. Hoe het de vrouwen met wie ik de dagen in de cel heb doorgebracht verder is vergaan, weet ik niet. Ik heb ze nooit meer teruggezien, maar ik hoop oprecht dat het goed met ze gaat... Ja, het was vreselijk heftig, maar ik heb het doorstaan en ik ben er nog. Des te blijer ben ik met hoe mijn leven nu is.”



