

“Op de dag van het ongeluk heb ik nog foto’s gemaakt van het prachtige uitzicht op het surfstrand waar we zaten te lunchen. Na deze tussenstop zouden we nog een klein stukje verder rijden naar de zoutpier waar ik graag naartoe wilde en die bekendstaat om de zeeschildpadden die er vaak zijn. Door de jaren heen was ik al zo vaak op het eiland geweest, maar zeeschildpadden was ik nog nooit tegengekomen. Voordat we de auto instapten, postte ik de mooiste foto op mijn social media. ‘Beter dan dit wordt het niet!’ schreef ik erbij. Achteraf gezien een uur voordat de wereld van meerdere mensen veranderde. De eerste keer dat ik op Bonaire was, werd ik meteen verliefd. Ik hou van het klimaat, de natuur, de mensen, alles. Het liefst was ik er gaan wonen, maar ik kwam de liefde in Nederland tegen en ik bleef hier. Snorkelen op Bonaire is magisch. Ik vind de onderwaterwereld geweldig. Het grappige is dat mijn man Cees helemaal niet van water houdt. Hij is een echte zonaanbidder, dus we zwaaien naar elkaar terwijl ik in het water dobber en hij in de zon ligt. ‘Ik wil mijn verjaardag op Bonaire vieren,’ had ik tegen Cees gezegd. Het was drie jaar geleden dat we er voor het laatst waren. Het feest voor familie en vrienden bewaarden we voor erna, eerst met z’n tweeën lekker weg. De eerste week van onze vakantie hebben we ontzettend genoten. Het was heerlijk om weer terug te zijn op het eiland waar ik zo van hou.”
Dit klopt niet
“Meteen nadat we onze auto hadden geparkeerd bij de zoutpier, had ik in de gaten dat er gedoe was. Boven op de pier stonden mensen naar beneden te roepen. Ik had wel ergens gelezen dat snorkelen niet altijd is toegestaan. ‘Zou het nu soms niet mogen?’ vroeg ik me hardop af. Met mijn waterschoenen in mijn handen keek ik vertwijfeld omhoog. Een man stond wild met zijn armen te zwaaien richting het water, en ik zag dat een vrouw naar de kant zwom. Ik wist meteen: er klopt iets niet, maar wat er precies aan de hand was, kwam niet meteen binnen. De man boven wees naar het water en ik volgde met mijn ogen zijn hand. Het was secondewerk voordat ik besefte wat ik zag. ‘Er ligt iemand in het water, ik ga erin!’ riep ik tegen Cees en trok mijn jurk over mijn hoofd uit. ‘Doe voorzichtig en kom heel terug,’ schreeuwde hij me nog na, maar ik was al vertrokken. Ik zwom langs de vrouw die richting de kant ging. Ze sprak Nederlands. ‘Ik durfde het niet!’ zei ze geëmotioneerd. ‘Hij is heel groot en opgeblazen.’ Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Geen zorgen, ik ben uitvaartverzorger. Ik kan hiertegen.’ Dat dacht ik ook echt. Ik had in mijn werk al zo veel gezien, ik zou nergens van schrikken. Terwijl ik mezelf door de enorme golfslag ploegde, was het of mijn al jaren versleten schouder niet bestond en in recordtempo was ik bij de drijvende man. Een medewerker van de zoutpier was inmiddels ook het water in gekomen om te helpen.
‘Als een soort robots maakten we wat van de rest van onze tijd op het eiland, met genieten had het niks van doen’
Met zijn tweeën trokken we de drijvende man omhoog. Zijn duikmasker bedekte zijn hele gezicht. ‘Dat masker moet af, hij krijgt geen lucht!’ riep ik. Met de reddingsboei die iemand van de pier naar beneden had gegooid, moesten we hem zo goed en kwaad als het ging naar de kant zien te krijgen. Het lichaam was als een enorme, loodzware pop en gaf op geen enkele manier mee. Half hijsend en in gevecht met het golvende water zwommen we het hele eind terug naar de grote stenen, waar het chaos was. De meeste mensen stonden erbij en keken ernaar, inclusief de politie die Cees ondertussen had gebeld. Ze deden niks, echt onbegrijpelijk. De mensen die wel te hulp waren geschoten, begonnen van alles door elkaar heen te doen. Waar bleef die ambulance? ‘Dat masker moet eerst af,’ zei ik een paar keer, maar er werd niet geluisterd en iemand was al begonnen met reanimeren. En toen zag ik het aan zijn ogen. Ik weet hoe de ogen eruitzien van iemand die niet meer leeft. ‘Stop maar, hij is dood,’ zei ik. Op dat moment kwam er een vrouw over de gladde stenen gekropen. ‘Is dat mijn vriend?’ riep ze in het Engels. Ik pakte haar hand. ‘Het spijt me,’ herhaalde ik steeds terwijl ik haar vasthield. ‘Dat is Alan. Ik kan het niet geloven,’ huilde ze. Alan. De man die ik had proberen te redden had een naam en hoorde bij iemand. Ik bleef haar vasthouden en riep naar de politie dat ze de vrouw moesten opvangen. ‘Haal haar hier toch weg!’ Maar ze deden nog steeds niks. Cees stond op de weg om de ambulance de goede kant op te wijzen. Zij bevestigden wat ik al had gezien. De man was overleden. Wat een immens onmachtig gevoel. Ik ging op zoek naar de vriendin van Alan. Verslagen zag ik haar in haar auto zitten. ‘My friend, my friend,’ jammerde ze hartverscheurend. Het was me niet duidelijk wat hun relatie tot elkaar was. Het maakte ook niet uit, ze was hem verloren. ‘Het spijt me zo dat we hem niet hebben kunnen redden,’ zei ik tegen haar. Ik vroeg of ik iemand voor haar kon bellen, maar ze was alleen, zei ze. De politie die inmiddels bij ons was komen staan, vroeg of ik slachtofferhulp wilde. ‘Bekommer je alsjeblieft om deze vrouw,’ zei ik. Ik wilde alleen nog maar weg.”
Wat als?
“In de auto zeiden Cees en ik amper wat tegen elkaar. Wat was er in hemelsnaam allemaal gebeurd? Toen ik me realiseerde dat mijn slippers en tasje nog bij de pier lagen, moesten we terug. Bizar genoeg kwamen we onderweg dezelfde ambulance tegen. Die was alweer onderweg naar het volgende ongeluk. Aangekomen op de plek lag Alan onder een laken, stond de politie nog steeds op een afstandje te kijken en was de mensenmenigte gehalveerd. Een surrealistisch beeld. De situatie was voorbij, het drama erachter nog maar net begonnen.






Terug bij ons appartement kwam alles los. Ik heb ontzettend veel gehuild. De ‘film’ bleef zich afspelen in mijn hoofd. Het was alsof ik door erover te blijven nadenken, kon veranderen wat er was gebeurd. Wat nou als ik meteen het water in was gegaan – hoewel mijn aarzeling hooguit één minuut had geduurd - was het dan anders afgelopen? Wat als ik dat masker inderdaad van zijn gezicht af had gehaald? ’s Nachts herhaalden de beelden zich en bleef de vraag zich opdringen: wat had ik anders kunnen doen om hem te redden? En ik dacht aan de nabestaanden. Ik hoopte dat het vanaf hier goed voor hen zou worden opgepakt.
Er gingen twee dagen voorbij waarin ik weinig anders kon dan huilen en verdwaasd op een stoel zitten. Het schuldgevoel en de onmacht bleven en er kwam angst bij. Nooit eerder was ik bang voor water geweest en nu was ik me er zo van bewust dat het mij ook kon overkomen. De volgende dag ben ik op mijn favoriete plek het water weer in gegaan. Ik moest erdoorheen anders durfde ik nooit meer.”
Donkere schaduw
“Ik voelde heel sterk dat ik mijn ervaring wilde opschrijven voor de nabestaanden. We hebben ergens een kaart gekocht en ik schreef: ‘Ik weet niet wie jullie zijn, maar jullie zijn een dierbare verloren en dat spijt me heel erg. Ik was erbij. Als jullie willen weten wat er is gebeurd en wat ik heb gedaan om te proberen jullie geliefde te redden, dan zijn dit mijn contactgegevens.’ We reden naar het mortuarium op het eiland, waar ik uitlegde wat er was gebeurd en vroeg of ze alsjeblieft wilden zorgen dat mijn kaart bij de nabestaanden terecht zou komen. Ik kon alleen maar hopen dat ze zich aan hun belofte zouden houden.
De gebeurtenis bleef de rest van onze tijd op het eiland als een donkere schaduw hangen. Als een soort robots maakten we wat van de dagen, met genieten had het niks van doen. Het doel waarvoor we naar Bonaire waren gekomen was helemaal weg. Op mijn verjaardag zelf, drie dagen na het ongeluk, hebben we een bootje gehuurd. Er is een foto waarop ik voor het eerst weer even lach. We gingen nog één keer terug naar de plek waar het was gebeurd in de hoop dat zware gevoel een beetje kwijt te raken. Maar eenmaal daar vloog het me aan; we zijn de auto niet uit geweest. De vakantie kon me weinig meer schelen, de glans was er wel af.
Drie weken later zat ik weer thuis achter mijn laptop toen er een mail binnenkwam. Onderwerp: Alan. De kaart die ik voor Alans nabestaanden had achtergelaten, had zijn vriendin bereikt. Terwijl de tranen over mijn wangen rolden, las ik de zinnen hardop voor aan Cees. ‘Ik zag je het water in gaan. Toen ging alles op zwart, maar ik weet wat je voor Alan hebt gedaan.’ Ze schreef dat hij haar grote liefde was en dat ze hem die middag al een tijd kwijt was. Ze waren gaan snorkelen en zij was eerder het water uit gegaan. Ze verwijt zichzelf dat ze er niet op heeft aangedrongen dat Alan met haar meeging. Ze was ontzettend dankbaar dat ik hem had proberen te redden. Het afscheid was mooi geweest, het verdriet enorm. Ik was zo blij om iets van haar te vernemen al vond ik het ook lastig om te worden bedankt voor iets wat niet was gelukt. Ik stuurde een lange mail terug. Hierna hebben we geen contact meer gehad, maar daar was ik ook niet op uit. Ik wilde haar alleen maar mijn puzzelstukjes van het verhaal geven in de hoop dat dat troost en duidelijkheid zou bieden. Haar leven is veranderd en, al is de impact natuurlijk niet hetzelfde, dat van mij ook. Het ziet diep, dat voel ik als ik erover praat. Ik wil nog een keer terug naar die plek, ooit. Misschien dat het wel helend gaat zijn als er meer tijd is verstreken. Sowieso gaan we nog een keer terug naar Bonaire, want ik houd van het eiland en ik heb die zeeschildpadden nog steeds niet gezien. Het is straks een jaar geleden en ik zal Alans vriendin weer laten weten dat ik aan haar denk. Net zoals ik dat nog vaak even aan Alan doe.”





