
Maaike (33): ‘Spiegels, ramen, computerschermen en zelfs glimmende koffiemachines, ik heb ze maandenlang vermeden. Elk spiegelend object was een no-go, want stel je voor dat ik mezelf zou zien. Dat vond ik vreselijk. Ik vond mezelf zó lelijk en hechtte daar zó veel waarde aan, dat ik er intens depressief van werd. Ik had geen ruimte voor andere dingen, en kon niet zien hoe leuk mijn leven eigenlijk was.
Achteraf gezien begon het al rond mijn twaalfde. Ik had heftige acne en was daar behoorlijk onzeker over. Maar ach, welke puber is dat nou niet? Soms nam de onzekerheid toe, soms ebde die weer wat weg. Thuis lag er eigenlijk nooit echt een focus op uiterlijk. Ja, mijn moeder ging met me naar de schoonheidsspecialist om me te helpen bij die acne, maar ik ben niet opgevoed in een huishouden waar uiterlijk enorm belangrijk werd gevonden. Rond mijn zestiende veranderde de focus op mijn huid in een focus op mijn lichaam. Ook heel typisch voor die leeftijd, dus ook dat viel niemand op. Maar de manier waarop ik ermee omging was wel vele malen heftiger dan bij andere pubers. Situaties waarin ik maar weinig kleding kon dragen – zoals in het zwembad – ging ik uit de weg. Op het strand droeg ik een lange broek en als vrienden op een zonnige zomerdag vroegen of ik mee ging zwemmen, verzon ik een smoesje. Ik vond het prima om daar allemaal niet bij te zijn, dus ik had zelf ook niet het idee dat er iets mis was.
Inmiddels weet ik dat ik body dysmorphic disorder (BDD) heb. Een stoornis waarbij je een onnatuurlijke focus op je uiterlijk hebt en je veel waarde aan je uiterlijk hecht. Het wordt ook wel ‘ingebeelde lelijkheid’ genoemd, maar ik ben niet zo’n fan van die term omdat ik denk dat we juist af moeten van de verdeling tussen lelijk en niet lelijk. Het heeft te maken met een vertekend zelfbeeld, de waarde die je daaraan hangt en vooral ook die anderen daaraan volgens jou hangen. Als ik naar een sollicitatiegesprek ga, maak ik me drukker om wat ze vinden van mijn uiterlijk dan om wat ik zeg. Omdat je er zelf niet tevreden mee bent, denk je dat anderen je daar ook op afrekenen.’
Word ik kaal?
De diagnose BDD kreeg ik drie jaar geleden. Zes maanden na mijn zwangerschap had ik last van haaruitval. Het was maar een klein plekje op mijn hoofd, niet groter dan een postzegel, maar mijn angst werd meteen getriggerd: wat gebeurt er nu? Word ik kaal? Kan iedereen dit zien? Zoals eerder de focus lag op mijn huid en lichaam, sloeg de focus nu om naar mijn haar. En in tegenstelling tot mijn lichaam kon ik dat niet verbergen of ontlopen, dus groeide de angst nog meer. Artsen, kappers, haarinstituten, iedereen zei dat haaruitval na een zwangerschap heel normaal is, dat ze me niet konden helpen, maar vooral ook dat ik me niet druk hoefde te maken en je er heus niks van zag. Het kwam niet bij me binnen. Ook niet als mijn man, familie of vrienden het zeiden. Voor mijn gevoel zag iedereen het aan me én veroordeelden ze me er ook nog eens om. Het nam mijn hele leven over. Ik vermeed alles wat spie-gelde en raakte in paniek zodra er een camera in de buurt kwam. Sociale situaties ging ik juist weer niet uit de weg, want ik wilde niet dat de buitenwereld zag hoe erg ik er écht mee zat. Ook op dat vlak was ik onzeker: stel je voor dat mensen zouden merken dat ik me zo ongelukkig en depressief voel, dan vinden ze me zeker niet meer leuk. Op mijn werk merkten ze er niets van. Ik hield me de hele dag groot, dodelijk vermoeiend.Thuis viel het masker af en stortte ik iedere avond weer in. Tot ik het dieptepunt bereikte. Het was de zoveelste avond dat ik na mijn werk als een zombie op de bank zat. Ik was intens boos en verdrietig tegelijk. Ik heb een leuk huis, een leuke baan, een geweldige dochter en een heel lieve man, waarom maak ik me dan zo verschrikkelijk druk om mijn uiterlijk? Wat boeit dat? Waarom kan ik dat niet uitzetten? Wat is er mis met mij? Ik had het gevoel dat niemand mij kon helpen. Ik keek mijn man aan en zei: ‘Als het zo nog een avond moet, hoeft het van mij niet meer.’’
Tijdens een sollicitatie maak ik me drukker om mijn uiterlijk dan om wat ik zeg
Zó goed geholpen
‘Ik ging naar een therapeut die met EMDR probeerde de focus van dat kale plekje weg te halen. De therapie gaf rust, maar het loste mijn problemen nog niet echt op. Het was vooral fijn om met haar de week door te spreken en mijn hart te luchten.
Op een avond zag ik een Instagram-post van een meisje uit Engeland. Ze vertelde over haar BDD. Hoe ze haar haar altijd op een bepaalde manier droeg en haar therapeut nu had gevraagd haar haar nu eens niet los, maar in een staart te doen. Dat was voor haar een enorm obstakel. Toch deed ze het. En wat bleek? De wereld was niet vergaan, mensen deden nog steeds aardig, er was eigenlijk niks aan de hand. Dat klinkt superlogisch, maar ik begreep direct waarom dat voor haar mind-blowing was geweest. Ik herkende me zo in haar verhaal, haar paniek, angsten en denkbeelden dat ik meer en meer ben gaan lezen over BDD. Toen ik mijn therapeut erover vertelde, herkende zij het ook. Omdat zij er zelf niet in gespecialiseerd is, raadde ze me aan langs het Amsterdam UMC te gaan. Daar werd ik inderdaad gediagnosticeerd met BDD, en een paar maanden later begon mijn traject daar. Vier maanden lang ging ik er twee dagen per week heen. Het klinkt gek, maar ik kijk bijna met plezier op die periode terug. Ik ben zó goed geholpen, de hulpverleners waren superfijn en omdat het een groepstherapie is, was het een feest van herkenning. Opeens zag ik: ik ben niet alleen, er zijn meer mensen die precies zo denken als ik. Mensen van allerlei verschillende leeftijden, afkomsten en genders. Iedereen liep tegen dezelfde dingen aan. Dat is heel fijn als je zolang alleen met je gedachten bent geweest. Ik realiseerde me: ik ben niet gek, mijn denkwijze loopt alleen net wat anders dan van de meeste mensen en daar kunnen we hier wat aan doen.
Het team bestond uit allerlei verschillende therapeuten, ieder met een ander specialisme. De grootte van de groep wisselde nogal door in-en uitstroom. Aan het eind waren we nog maar met z’n drieën, maar we zijn ook weleens met z’n achten geweest. Ik vond het fijn om te zien dat sommigen al op me voorliepen, dat gaf mij ook de hoop dat ik beter kon worden. En mijn eigen progressie was natuurlijk ook geweldig. Eindelijk zag ik weer licht aan het eind van de tunnel. Stukje bij beetje kon ik de BDD los gaan zien van mijn persoon. Ik ben niet de BDD. De BDD is een extra stemmetje in mijn hoofd dat ervoor zorgt dat ik dit ben, maar ik kan ertegen vechten. Het is niet mijn identiteit.’
Op het toilet stond ik schuin voor de wastafel zodat ik de spiegel niet kon zien
Vissen naar complimentjes
‘Dat vechten was wel heel pittig. Je moet continu dingen doen die je doodeng vindt en niet voor mogelijk houdt om te ontdekken dat de wereld niet vergaat als je het wél doet. Net als dat meisje van de Instagram-post. Mijn uiteindelijke doel was om weer in een spiegel te kunnen kijken. In kleine stapjes werkten we daarnaartoe. Als ik ergens naar een toilet ging – een plek waar vrijwel altijd een spiegel hangt – ging ik altijd schuin voor de wastafel staan zodat ik de spiegel niet kon zien. Mijn eerste stap was om gewoon eens recht voor de wastafel te gaan staan, zonder er nog in te kijken. Een andere stap was om in mijn eentje door het Amsterdam UMC te durven wandelen zonder in paniek te raken van de glanzende, spiegelende deuren en ramen. Als ik met anderen ben lukt dat makkelijker, dan kan ik mijn focus naar hen verleggen. Maar in mijn eentje dacht ik constant: o nee, daar komt mijn spiegelbeeld weer aan. Vanbuiten zie je dat niet aan me, maar vanbinnen voel ik paniek en breekt het klamme zweet me uit.






Het grappige was dat ik het aan de anderen ook niet kon zien. Als je BDD hebt, leer je dat heel goed te verbergen. Ook gek was dat ik bij de anderen in mijn groep dacht: maar jij bent helemaal niet lelijk. Precies wat mijn omgeving altijd tegen mij had gezegd en wat ik gewoon nooit wilde geloven. Daarom mochten we het tijdens het traject ook niet tegen elkaar zeggen. Het gaat er namelijk helemaal niet om wat jij van een ander vindt. Het gaat erom wat diegene van zichzelf vindt. Dat is ook wat mijn man werd geleerd toen hij een keer meeging naar mijn therapie: hij moet niet ingaan op mijn bevestigende vragen. Zie ik er goed uit? Zit mijn haar wel goed? Lijk ik hier dik in? Lastig, want iedere vrouw stelt weleens de vraag ‘Staat dit jurkje leuk?’, maar voor mij is het oppassen: welke intentie zit erachter? Ik mag niet meer vissen naar complimentjes, dat versterkt mijn roep om bevestiging en waardering van buitenaf alleen maar meer. Natuurlijk mag mijn man me nog weleens een compliment geven, maar liever uit zichzelf dan als reactie op mij.’
Mooier
‘De therapie deed zijn werk. Stukje bij beetje durfde ik steeds meer. Op het eind durfde ik inderdaad zelfs in een spiegel te kijken. Eerst van veraf, daarna steeds wat dichterbij. Dat was een gigantische overwinning, ik had mijn doel bereikt. Toch was ik na het afronden van het traject enorm bang voor een terugval. Dus ben ik mezelf blijven uitdagen. Een van de grootste uitdagingen was meedoen aan het BNNVARA-programma Mooier wordt het niet. Los van een camera op mijn neus vond ik het ook een behoorlijke stap om in gesprek te gaan met zo’n knap persoon als Anna Nooshin. Ik had er dagenlang stress van en vond het doodeng, maar ik deed het toch. Aan de ene kant omdat ik hoop dat als anderen zich hierin herkennen, ik ze kan vertellen dat je heel goed geholpen kunt worden. Aan de andere kant omdat ik het win van de BDD als ik mijn eigen angsten de baas ben.’
Hotpants en croptops
‘Dat ik mijn angsten de baas ben, wil niet zeggen dat ik het nooit meer moeilijk heb, hoor. Integendeel. Na de bevalling van mijn tweede dochter was ik bijvoorbeeld heel bang dat mijn haar weer zou uitvallen. Ik sprak met mezelf af dat ik het niet mocht checken, niet moest controleren in de spiegel. Dat was pittig, maar zodra de neiging kwam, riep ik mezelf tot de orde. En nog steeds zijn er dagelijks van die momenten. Naar de kapper gaan bijvoorbeeld, iets aan je uiterlijk veranderen, kan een trigger zijn. Maar de komst van de zomer bijvoorbeeld ook: dan kun je toch minder verhullende kleren aan dan in de winter. Toch zet ik mezelf er steeds weer overheen. Goed, je zult me nooit in een hotpants en croptop zien lopen, maar een hemdje doe ik nu wel gewoon aan.
Het overwinnen van mijn BDD vind ik belangrijk voor mezelf, maar ook voor mijn dochters. Ik wil hen het goede voorbeeld geven en ben daarom ook heel bewust bezig met de rol van uiterlijk in de opvoeding. Hoe ik dat aanpak? Ik zeg bijvoorbeeld nooit iets negatiefs over mijn uiterlijk waar zij bij zijn en als we gaan zwemmen laat ik niet zien dat ik dat lastig vind. Maar het mag er wel zijn, ze mogen ook zien dat ik mijn mindere dagen heb, dat hoort bij het leven.
Soms vind ik de wereld waarin zij opgroeien best spannend. Door sociale media word je overspoeld met de mooiste plaatjes en ga je toch snel vergelijken. Daar kun je bijna niet omheen. Daarnaast is er überhaupt een enorme focus op uiterlijk en is de stap naar plastische chirurgie steeds laagdrempeliger. In die zin denk ik dat de maatschappij waar we nu in leven een stoornis als BDD veel meer triggert dan tien jaar geleden. Zelf heb ik trouwens nooit iets laten doen, maar dat heeft meer te maken met mijn extreme angst voor naalden. Toch sluit ik niet uit dat ik niet ooit iets zou laten doen, maar ik zou wel goed na moeten denken over de intentie, want met BDD is de kans groot dat je het focuspunt daarna gewoon weer verlegt naar iets anders. In het programma Mooier wordt het niet werd gevraagd welk cijfer ik mijn uiterlijk zou geven. Dat was toen een 4 en is nu eerlijk gezegd nog steeds een 4. Dat verandert denk ik nooit meer. Ik ben en blijf gewoon niet blij met mijn uiterlijk. Het grote verschil met vroeger is alleen dat ik er nu wél vrede mee heb.’
interview Steffi Posthumus, fotografie Lizzy Ann, haar en make-up Sanne Bleeker, styling Charlotte Martens, trui &Other Stories, met dank Stephan Lesger en Kevin Murphy




