Je speelt in Carré in de musical The little big things. Wat spreekt je aan in dit verhaal?
“In de voorstelling speel ik de moeder van Henry, een jongen die op jonge leeftijd een ernstig ongeluk krijgt en daarna opnieuw moet leren leven. Wat me vooral raakte, is de enorme levenslust die uit dit verhaal spreekt. Aan het eind zegt Henry eigenlijk: als ik alles over mocht doen, zou ik het opnieuw doen. Dat vond ik bijna onvoorstelbaar. Je zou denken dat niemand nog een keer door zoveel pijn en verdriet heen wil. Maar hij zegt dat hij door dat ongeluk ook iets in zichzelf heeft ontdekt wat hij anders misschien nooit had gevonden. Dat vind ik ongelooflijk inspirerend. Daarnaast zie je niet alleen wat er met hem gebeurt, maar ook wat die ingrijpende gebeurtenis doet met de mensen om hem heen. Als moeder zie je je kind worstelen en kun je het niet voor hem oplossen. Dat maakt het verhaal ook heel aangrijpend. Verder spelen er acteurs mee met een lichamelijke beperking. Tijdens de repetities realiseerde ik me ineens dat ik eigenlijk nog nooit met acteurs met een beperking had gewerkt. Niet omdat ze er niet zijn, maar omdat ze vaak nauwelijks zichtbaar zijn in ons vak. Ik vind het mooi dat deze voorstelling daar ook aandacht voor heeft.”
Het thema veerkracht loopt als een rode draad door The little big things. Raakt dat thema iets in jou persoonlijk?
“Ja. Ik heb de afgelopen jaren een moeilijke tijd gehad. Een periode waarin ik moest leren omgaan met verdriet en verlies. Daarin ben ik mezelf behoorlijk tegengekomen. Ik ontdekte dat ik veerkrachtiger ben dan ik altijd dacht. Niet dat ik dat per se wilde zijn, maar soms heb je geen keuze. Tegelijkertijd geloof ik niet in het idee dat je altijd maar positief moet zijn. Ik heb juist geleerd dat er ruimte moet zijn voor verdriet. Voor rouw. Voor stilstaan bij wat pijn doet. Gezond herstellen betekent voor mij niet dat je overal meteen weer bovenop moet zitten. Het betekent ook dat je durft te voelen wat er is. Wat ik vooral heb ontdekt, is dat ik het leven niet wil afmeten aan de dingen die er niet zijn. Ik wil het leven zien als de optelsom van alles wat er wél is. Dat helpt me nog steeds.”
‘Thuis kreeg ik altijd mee: dit is waar we vandaan komen en dit is goed’
Je groeide op in Amsterdam Nieuw-West bij je moeder. Hoe kijk je terug op je jeugd?
“Met veel warmte. Mijn moeder voedde mijn zus en mij alleen op en dat bracht natuurlijk uitdagingen met zich mee. Maar tegelijkertijd was er ontzettend veel liefde. Mijn moeder heeft altijd alles gedaan wat ze kon. Ik wist al jong dat ik iets met theater wilde. Ik kon eerder liedjes uit West Side story meezingen dan volledige zinnen maken. Mijn moeder heeft dat altijd gestimuleerd. Ik heb daardoor nooit het gevoel gehad dat ik iemand anders moest worden dan wie ik was. Natuurlijk zag ik verschillen. Op school zaten kinderen die opgroeiden in totaal andere omstandigheden.”
Was je je daar als kind van bewust?
“Sommige klasgenoten woonden in de grachtengordel. Ik ben zwart, veel van hen waren wit. Zij kwamen uit gezinnen waar allebei de ouders aanwezig waren en waar financieel soms meer mogelijk was. Maar thuis kreeg ik altijd mee: dit is waar we vandaan komen en dit is goed.
We hebben geen boot, maar er is liefde, er is zorg en er zijn kansen. Daardoor heb ik me nooit minder gevoeld. Nieuw-West had weinig te maken met de montessorischool in Oud-Zuid. En de theaterwereld weer weinig met mijn familie.
Ik bewoog continu tussen al die verschillende werelden en ik probeerde overal mijn plek te vinden. Maar op een gegeven moment vroeg ik me af: waarom ben ik eigenlijk steeds bezig om me aan te passen? Waarom moet ik telkens zorgen dat ik ergens tussen pas? Toen kwam er een moment waarop ik wilde ontdekken wie ik zelf was. Niet wie anderen in mij zagen, maar wie ik zelf wilde zijn. Dat proces is nog steeds niet klaar.”
Was er een bepaald moment waarop dat besef kwam?
“Ja, tijdens een reis naar Brazilië. Dat klinkt misschien gek, maar daar gebeurde iets met me. Mijn moeder komt uit Suriname en mijn vader uit Curaçao, maar ik was eigenlijk nooit echt in een land geweest dat leek op de landen waar mijn familie vandaan komt. In Brazilië was ik voor het eerst niet ‘de ander’. Ineens zag iedereen eruit zoals ik. Dat gaf een heel bijzonder gevoel. Ik hoefde me niet meer continu te verhouden tot hoe anderen naar mij keken. Daardoor ging de aandacht veel meer naar de vraag: wie ben ik eigenlijk zelf? Wat vind ik belangrijk? Waar sta ík voor? Dat was voor mij echt een kantelpunt.”
Heeft die zoektocht naar jezelf je ook zelfverzekerder gemaakt?
“Ja en nee. Ik heb nog steeds last van een soort impostersyndroom. Als ik een grote rol krijg, denk ik vaak eerst: volgens mij hebben ze de verkeerde gekozen. Dat had ik ook toen ik voor de musical Hadestown naar Londen ging.
Ik keek naar mensen die die rollen eerder hadden gespeeld en dacht: waarom denken ze dat ík dit kan? Het grappige is dat het me nooit ergens van weerhoudt. Ik denk niet: ik doe het niet. Ik denk eerder: het lijkt me doodeng, maar ik ga het wel proberen. Héérlijk om iets te doen waarvan ik denk: ik weet niet of ik dit kan.”
Hoe zorg je ervoor dat je niet wordt opgeslokt door die onzekere gedachten?
“Dat blijft een uitdaging. Mijn hoofd staat eigenlijk altijd aan. Daarom zoek ik ook bewust momenten op waarop ik vertraag. Eén van de dingen die ik daarvoor heb gedaan, zijn stilteretraites. Dat klinkt misschien zweverig, maar ik vond het ontzettend waardevol. Je mag tijdens zo'n retraite echt dagenlang niet praten. Hebt geen telefoon, geen boek, geen afleiding. Zelfs geen oogcontact. De eerste dagen was dat verschrikkelijk. Mijn hoofd bleef maar doorgaan. Maar daarna gebeurde er iets. Er kwamen herinneringen boven waarvan ik niet wist dat ik ze had. Dingen die blijkbaar heel diep weggestopt waren. Wat ik bij die stilteretraites vooral heb geleerd, is dat iedereen iets met zich meedraagt. Iedereen heeft zijn eigen verhaal. En soms is het heel waardevol om daar niet van weg te lopen, maar er gewoon even bij te blijven zitten.”
‘Tijdens een reis naar Brazilië dacht ik voor het eerst: wie ben ik eigenlijk zelf?’
Je bent inmiddels drieënhalf jaar samen met acteur Adam Kissequel. Wat maakt hem zo bijzonder voor jou?
“Hij kan mij heel goed lezen. Dat heb ik niet eerder meegemaakt. Ik ben in relaties vaak de regelaar geweest, degene die initiatief nam en dingen organiseerde. Daardoor voelde ik me soms ook de persoon die het moest dragen. Zeker op momenten waarop ik zelf kwetsbaar wilde zijn. Bij Adam is dat anders. In de moeilijke periode die ik achter de rug heb, heb ik voor het eerst echt op iemand kunnen leunen. Ik mocht er zijn, met al mijn verdriet. Dat was nieuw voor mij. Hij wás er gewoon. Dat heeft enorm veel voor me betekend.”






Adam heeft kinderen uit een eerdere relatie. Hoe was het om daar onderdeel van te worden?
“Best bijzonder. Adam heeft vijf kinderen. De oudste woont bij ons en de jongere kinderen wonen in het buitenland. Toen ik hem leerde kennen, kwam vrij snel ook zijn gezin erbij. Dat was natuurlijk even schakelen. Niet alleen voor mij, maar ook voor hen. Tegelijkertijd voelde het heel vanzelfsprekend. Adam is een ontzettend betrokken vader. Of zijn kinderen nu dichtbij wonen of verder weg, hij is er altijd voor ze. Dat vind ik heel mooi om te zien. Vroeger dacht ik misschien dat een man die al een heel leven achter zich had, en zelfs al een gezin had, niet bij mij zou passen. Maar inmiddels weet ik hoe fijn het is om iemand naast je te hebben op wie je kunt rekenen. Dat blijkt voor mij veel belangrijker dan ik vroeger altijd dacht.”

MEER JOY
Geboren: 14 juli 1980 in Amsterdam
Thuis: sinds 3,5 jaar samen met acteur Adam Kissequel.
Carrière: Joy is actrice, theatermaker en zangeres. Ze speelde in talloze theaterproducties, films en tv-series, waaronder Dertigers, Keizersvrouwen, ANNE+, Rampvlucht, Sphinx en Flikken Maastricht. Ook stond ze op West End in Londen als Persephone in de musical Hadestown. Deze zomer is ze van 20 juni t/m 16 augustus te zien in Koninklijk Theater Carré in de musical The little big things, waarin ze de moeder van hoofdpersoon Henry speelt.

Je verruilt Amsterdam binnenkort voor een huis in de buurt van Hoorn. Is dat geen enorme stap voor een geboren Amsterdammer?
“Haha, absoluut! Ik heb mijn hele leven in Amsterdam gewoond.
Ik blijf denk ik ook altijd zeggen dat ik Amsterdammer ben, zelfs als ik er al jaren niet meer woon. Maar het voelt ook goed. Ik merk dat ik toe ben aan iets nieuws. Meer rust, meer ruimte. Ik heb hier veel meegemaakt. Mooie dingen, maar ook moeilijke dingen. Amsterdam heeft mij op mijn gelukkigste momenten gezien, maar ook op momenten waarop ik veel verdriet had. Juist daarom voelt het fijn om een nieuw hoofdstuk te beginnen. Niet omdat ik afscheid neem van de stad, want die blijft altijd onderdeel van mij. Maar omdat het leven soms vraagt om een frisse blik en een nieuwe omgeving. En eerlijk gezegd heb ik daar heel veel zin in.”
‘Bij Adam mocht ik er zijn, met al mijn verdriet, dat was nieuw voor mij’
Je wordt deze zomer 46. Hoe kijk je naar ouder worden in een vak waarin uiterlijk een grote rol speelt?
“Ik ben daar dubbel in. Aan de ene kant zie ik dat er steeds meer interessante rollen komen voor vrouwen boven de veertig. Vroeger leek het soms alsof je eerst jonge meisjes speelde, daarna moeders en vervolgens meteen oma's. Daar zat weinig tussen. Tegelijkertijd denk ik soms ook weleens: hoe ziet mijn carrière er over tien jaar uit? Dat hoort denk ik bij dit vak. Je hebt nooit garanties. Maar eerlijk gezegd wijzen de feiten voorlopig een andere kant op. Ik heb net acht weken in Londen gewerkt, ik speel in Carré en ik krijg nog steeds prachtige kansen. Ik probeer mezelf daar aan te herinneren als ik weer ga twijfelen. En ja, ik heb ook gewoon bewijsdrang. Ik wil groeien. Ik wil nieuwe dingen leren. Geef me iets waarvan ik denk: dat kan ik niet. Dan wil ik het juist proberen. Misschien is dat wel de reden dat ik dit werk na al die jaren nog steeds zo leuk vind.”
TEKST: THEA TIJSSEN. FOTO'S: MARLOES BOSCH. VISAGIE: ASTRID TIMMER. MET DANK AAN: KONINKLIJK THEATER CARRÉ IN AMSTERDAM.



